'Vanuit
de lucht' - De eerste generatie dichters van de 21e eeuw (redactie: Daniël Dee)
webmaster:
© Auteursrecht berust bij de auteurs op basis van de
Auteurswet 1912. Er mag niets uit deze Website worden overgenomen,
opgeslagen op media ter verspreiding onder derden, op een website worden
gezet, gepubliceerd of anderszins verveelvuldigd zonder uitdrukkelijke
en voorafgaande toestemming van de auteurs. Overtreding van de
Auteurswet is strafrechtelijk en internationaal vervolgbaar.
© No part of this website may be used or reproduced in any manner whatasoever without the written permission of the author, except in the case of brief quotations embodied in critical articles or reviews.
Volgens de telling van de christelijke traditie is het derde millennium
aangebroken. We zijn het portaal doorgegaan dat de 20ste eeuw van de
21ste eeuw scheidde, en alles lijkt te veranderen. In de literaire
scène hebben de ontwikkelingen ook niet stilgestaan. Inmiddels heeft
zich een nieuwe generatie dichters aangediend.
Vanuit de lucht is een bloemlezing die een overzicht biedt van deze dichters. Vanuit de lucht is niet programmatisch van aard, maar tracht de stand van zaken op poëtisch gebied van dit moment bij de eerste generatie dichters van de 21ste eeuw weer te geven. Anekdotisch, hermetisch, verstaanbaar, werkelijkheidsgericht, autonoom; in deze bloemlezing zijn al deze stijlen aan te treffen. Er wordt in deze bloemlezing geen eensgezinde poëtica geformuleerd, er is hier uitsluitend sprake van het individuele werk van verschillende dichters. Met het woord generatie wordt in deze bloemlezing dan ook één specifieke definitie uit de Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse taal bedoel, namelijk een ‘groep van ongeveer gelijktijdig geboren wezens’. De enige overeenkomsten in dit geval zijn: dat de dichters na 1970 zijn geboren, Nederlandstalige poëzie schrijven, zojuist gedebuteerd zijn of dat zeer binnenkort gaan doen, publiceren in literaire tijdschriften, her en der te vinden zijn op verschillende literaire podia, hun werk serieus nemen en er actief mee bezig zijn. Uiteraard wil ik de lezers die het een sport vinden om overeenkomsten te zoeken in de verschillende gedichten, niet het plezier ontnemen om te speuren naar een eventuele eensgezinde poëtica. Natuurlijk zijn die overeenkomsten ook te vinden, want ook deze generatie dichters leeft niet in een literair vacuüm. Veel dichters in deze bloemlezing zijn bekend met het werk van hun collega’s Daarnaast biedt deze bloemlezing geen volledig perspectief. Ook al bevat deze bloemlezing, mijns inziens, wel de meeste dichters die aan bovengenoemde criteria voldoen, toch is deze bloemlezing niet geheel compleet. Enerzijds komt dit door het feit dat sommige dichters geen interesse hebben om te worden gebloemleesd. Anderzijds bestaat de kans dat ik een enkele dichters over het hoofd heb gezien en zodoende niet heb benaderd voor deelname aan deze bloemlezing. Deze kanttekening daargelaten geeft Vanuit de lucht toch een scherp en helder beeld van wat er momenteel gebeurt op poëtisch gebied en wat er allemaal verkrijgbaar is. Voorts wil ik nog even duidelijkheid scheppen: Vanuit de lucht is gedeeltelijk wel en gedeeltelijk ook niet een opvolger van Sprong naar de sterren, de bloemlezing met de laatste generatie dichters van de 20ste eeuw, samengesteld en ingeleid door Ruben van Gogh. Wel is Vanuit de lucht een opvolger, omdat het ook hier weer gaat om jonge dichters. Geen opvolger is Vanuit de lucht omdat deze bloemlezing geen programmatische insteek heeft. Wat echter belangrijk is, is dat Ruben van Gogh de traditie van het bloemlezen van jonge dichters weer heeft opgepikt en nieuw leven heeft ingeblazen. Een traditie die in de jaren dertig gebruikelijk was, toen bloemlezingen met jonge dichters jaarlijks verschenen. Met Vanuit de lucht tracht ik die traditie voort te zetten. Ik hoop dat er na deze bundel nog meer op reguliere basis verschijnende bloemlezingen van jonge dichters zullen worden uitgegeven. Zoals mij wel is opgevallen tijdens het samenstellen van deze bloemlezing, is dat zeker de moeite waard. Maar genoeg verantwoording en uitleg, het gaat tenslotte om de poëzie in deze bloemlezing. Het was, voor mij, zeer moeilijk om een keus te maken uit de overvloed aan gedichten. De dichters in deze bloemlezing leveren allen uniek werk af en dan is een keus van hooguit drie gedichten per dichter moeilijk te maken. Ik kon slechts uitgaan van mijn eigen smaak en voorkeuren, alsmede een beeld proberen te geven van de stijl van elke individuele dichter. De algehele diversiteit maakt deze bloemlezing dan ook tot een bijzonder geheel. Vanuit de lucht geeft u het goede uitzicht alsmede een schitterend overzicht, als een satellietfoto boven ons taalgebied waarop je precies de in opmars zijnde dichters kunt spotten. De gedichten staan te popelen om zich aan u voor te leggen.
Daniël Dee, Groningen, najaar 2001
'Al ontbreken de krachten' - Rob
Schouten, Vrij Nederland, 21-12-2002
door Rob Schouten
(...)Opvallend is wel dat de meeste dichters het toch nog altijd
met het beproefde, eeuwenoude recept der scabreuze viezigheid
proberen. Sociale ongegneerdheid zoals bijvoorbeeld bij Herman
Brusselmans, tref je in de poëzie niet veel aan. Een
tegenvoorbeeld is het gedicht 'Protest tegen het verwerken van
krokodillen tot tassen', van Steven Verhelst dat we in de
overigens vrij makkelijke jongerenbloemlezing Vanuit de lucht kunnen
vinden. Het stelletje begeeft zich `s nachts in de
krokodillenkooien, bedrijft de liefde en 'ze scheuren ons aan
stukken / en lieten onze hoofden / als twee kokosnoten achter op
het zand. (...) de oppasser die `s ochtends het hok komt
controleren / schopt onze koppen weg en schudt z'n hoofd: /
"al weer zo'n Greanpeace actie". Nou ja, ook al
ontbreken de krachten toch is de wil te prijzen, wisten de Ouden
reeds (uit 'Als je kut het maar doet' in Vrij Nederland,
21-12-2002)
het was een springlevend jaar door Duco Staal (...)Niettemin poogde dichter en criticus Rob Schouten in een korte lezing een overzicht te geven van de verschenen poëzie in 2002. De ver- en bijziende Schouten begon zijn lezing 'Buitelende bejaarden' met het terzijde schuiven van de bloemlezing: Vanuit de lucht als weinig inhoudelijk en eindigde met de conclusie: 'Het was een springlevend jaar, lekker zonder jongste garde'(...) (Epibode, 2-12-2002) terug naar boven de klas van 1970 door Floor van Renssen In 1999 verscheen een bloemlezing van 'de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw', 'Sprong naar de sterren' samengesteld door Ruben van Gogh. Deze bundel bevat poëzie van dichters die halverwege de jaren negentig debuteerden, zoals Ingmar Heytze, Hagar Peeters, Ilja Pfeijffer en Serge van Duijnhoven. Ze vormen geen groep, maar hebben veel gemeen. Ze schrijven 'gebeurende poëzie': 'heldere toegankelijke gedichten. Niks cryptisch, niks hermetisch', 'vol beweging'. Nieuw in hun werk was 'dat het zichtbaar beïnvloed wordt door de wereld van videoclips, MTV, computerkunst, films en technologie', zo zegt de achterflap. Die invloed is inmiddels allang niet meer nieuw, maar zelfs al een beetje afgezaagd. Wat is wel nieuw? Dat moet blijken uit de bloemlezing van 'de eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw', 'Vanuit de lucht'samengesteld door Daniël Dee. Ruben van Gogh gaf al aan dat zijn 'generatie'geen groep vormde, Daniël Dee houdt zijn selectiecriteria nog ruimer. In de inleiding stelt hij dat met het woord generatie slechts één specifieke definitie uit de Van Dale wordt bedoeld, namelijk een 'groep van ongeveer gelijktijdig geboren wezens'. 'Vanuit de lucht' bevat dan ook gedichten van dichters die geboren zijn na 1970. Behalve dat hebben ze niets gemeen. De bloemlezing wil geen programma uitdrage, maar slechts de stand van zaken op poëtisch gebied op dit moment weergeven. 'Anekdotisch, hermetisch, verstaanbaar, werkelijkheidsgericht, autonoom, in deze bloemlezing zijn al deze stijlen aan te treffen,' zegt Dee in de inleiding. Het is jammer dat hij zich er zo gemakkelijk vanaf maakt. Natuurlijk is het moeilijk, zo niet onmogelijk, op dit moment een programmatische bloemlezing samen te stellen van jonge dichters, maar het was wel aardig geweest als Dee had geprobeerd wat dieper in te gaan op de verschillende poëtica's en stijlen die volgens hem allemaal in de bloemlezing te vinden zijn. Misschien is er weinig over te zeggen. Of misschien is de poëzie daarvoor nog te jong. Wat Dee wilde doen, was een overzicht geven van de poëzie die nu leeft, waar elke lezer kennis van kan nemen en zijn eigen beeld bij kan vormen. Dat is een mooi streven. Toch zit er ook hier een tegenstrijdigheid in de inleiding. De samensteller zegt dat hij geprobeerd te heeft alle dichters te benaderen, maar geeft toe dat hij er een paar 'over het hoofd' heeft gezien. Daarom biedt de bloemlezing geen volledig perspectief, maar toch geeft 'Vanuit de lucht'een scherp en helder beeld van wat er momenteel gebeurt op poëtisch gebied'. Een bloemlezing kan nooit volledig zijn, maar juist daarom lijkt het wat gedurfd om het jezelf bij het samenstellen van een bloemlezing te veroorloven om dichters over het hoofd te zien. Desalniettemin bevat 'Vanuit de lucht' een mooie selectie gedichten van talloze pas opgedoken namen, onder ander de Nymph-ontdekkingen Thomas Möhlmann en Jannah Loontjens, podiumdichter Andy Fierens, en Epibreren-dichter Tjitse Hofman. Ook meer gevestigde dichters als Hagar Peeters en Ramsey Nasr zijn vertegenwoordigd. Het is echter de vraag of er wel sprake is van zoveel verschillende stijlen. Erg veel hermetische en autonome poëzie ben ik niet tegengekomen, het merendeel van de gedichten is toegankelijk en leest gemakkelijk weg. Veel gedichten zijn speels en vrolijk, zoals de kinderlijke gedichten 'Koektaal' en 'Toverfietsje' van Diann van Faassen, of de gedichten van Joris Buitendijk. Andere zijn mooi melancholisch, zoals die van Maria Barnas. Van de invloed van de multimedia, die Ruben van Gogh drie jaar geleden zo vernieuwend noemde, is gelukkig weinig te merken. Er wordt althans niet meer zo expliciet aan gerefereerd als Serge van Duijnhoven ooit deed (bijvoorbeeld in 'De crash'). Kwaliteit bevat de bundel dus zeker, maar deze is niet altijd constant. Sommige jonge dichters hebben de neiging om erg veel woorden aaneen te schakelen, waardoor te lange en onoverzichtelijke gedichten ontstaan. Daniël Dee heeft hier helaas zelf een handje van. Ondanks de zwakke opzet is deze bloemlezing de moeite van het lezen waard, omdat ze haar doel bereik: de nieuwste dichters zijn voor het eerst bij elkaar gezet, en zullen daardoor veel meer lezers bereiken. Dee pleit ervoor de traditie van het bloemlezen van jonge dichters weer op te pakken, zoals dat in de jaren dertig gebeurde. Hij heeft een goede stap gezet. (Poëziekrant, juni 2002) terug naar boven
Ruben
van Gogh geïnterviewd door Remco
Ekkers
(...) Bij de nieuwe bundel van Daniël Dee, 'Vanuit de lucht'. De eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw (Passage, 2000) heb ik dat niet. Er zijn misschien wel blijvende dichters bij, maar geen blijvende gedichten. (De Poëziekrant, juni 2002) terug naar boven
ontvoering
rob schouten (...)In de tuin van Schouwburgcafé Floor vond
direct na de middagslam het 'oude dichters spreken' plaats, met de
zeventigers Remco Campert (1929), Taiwanees Shang Ch'in (1930) en
Fransoos Jacques Roubaud (1932). Omdat Shang Ch'ins voordracht me als
Chinees in de oren klonk, informeerde ik bij een aantal jonge dichters
naar hun ervaringen tijdens deze editie van Poetry. De nodige roddels
vlogen over de tafel: "Gisternacht hebben we Rob Schouten
ontvoerd!", zeiden Peter de Groot, Tjitske Mussche en Tsead
Bruinja. "En, hebben jullie hem in de Maas gedumpt?", wilde
ik weten, wetende dat Schouten hun bijdragen in de bloemlezing 'Vanuit
de lucht' in Vrij Nederland had afgekraakt. dee
verslikt zich niet de gedichten van Alfred Schaffer, Kasper Peters, de reeds vernoemde Ramsey Nasr en Andy Fierens staan er als solide huizen door
Max
Temmerman De
mij onbekende jonge Nederlandse dichter Daniël Dee heeft in opdracht
van uitgeverij Passage 28 jonge dichters geselecteerd, die nog
officieel en professioneel moeten debuteren, maar wel al van zich
hebben laten horen in tijdschriften, op podia en in
schrijverswedstrijden allerhande. Een fijne want vage afbakening lijkt
me dat. Gewoon iedereen die nog niet echt bekend is de kans geven om
zijn kunnen in het licht te zetten. De kwaliteit van zo’n
bloemlezing hangt dan af van de kwaliteit van de verschillende
geselecteerden, en hoe die verschillende gedichten, stijlen en pennen
zich naast elkaar gedragen, zich tot elkaar verhouden.
Achtentwintig dichters geboren na 1970: een bloemlezing
van de jonge wind die doorheen het poëzielandschap raast. Deze
generatie heeft begrepen dat poëzie ook wel eens directe communicatie
kan zijn. Veel van hun kunnen speelt zich in de eerste plaats dan ook
af op het podium. Deze rechtstreekse confrontatie van het publiek met
hun werk resulteert in zowat het tegengestelde van de klassieke poëzieavonden:
geen lezingen waar geen eind aan schijnt te komen omdat verlegen, saai
voorlezende dichters eens dat ze een microfoon onder de neus krijgen
niet meer te stoppen zijn, iets wat allemaal geslikt wordt door een
publiek van intimi en collega's. Nee: sprankelende acts die een
stevige live reputatie hebben opgebouwd, niet in literaire cafés waar
het muffe luchtje van de wollen sokken uit de jaren zestig de deur
niet uit te krijgen is, maar op festivals en in theaterzalen. Veel
indrukwekkend gedoe op de scène waar, toegegeven, misschien niet
altijd even overblijft als je de teksten leest.
Vraag is of die louter literaire ambitie wel het streven van dit jong geweld is. Op enkele uitzonderingen na (zo schrijft samensteller Daniël Dee in zijn inleiding 'dat sommige dichters geen interesse hebben om te worden gebloemleesd') blijkt toch ook bij deze generatie de nood aan publicatie en erkenning. Getuige hiervan publiceren ze niet alleen in jongen tijdschriften met verkwikkende namen als Krakatau, Nymph, Zoetermeer, Mosselvocht, Tzum, Zanzibar en Renaissance, maar evenzeer in Deus ex Machina, Kruispunt, de Poëziekrant en Schoonschip. De meeste dichters genieten lokale bekendheid, als is het werk van Ayatollah Musa en Hagar Peeters ons niet onbekend en werden de debuutbundels van Ramsey Nasr en Alfred Schaffer zelfs genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs. Ook van Diann van Faassen, de in het Fries schrijvende Tsead Bruinja, Tjitse Hofman (samen met Bart FM Droog en Jan Klug lid van het zeer te smaken gezelschap De Dichters uit Epibreren), en Jannah Loontjens verschenen reeds bundels. 'Er wordt in deze bloemlezing geen eensgezinde poëtica geformuleerd,' lezen we in de inleiding, 'er is hier uitsluitend sprake van het individuele werk van verschillende dichters.' Het resultaat is dan uiteraard ook ongelijk maar bijzonder boeiend. Elke poëzielezer die zichzelf au sérieux neemt, mag niet ontkomen aan wat hier 'Vanuit de lucht' op ons wordt losgelaten. Dat het aandeel van de Vlamingen beperkt is hoeft ons niet paranoïde te stemmen. De kwaliteit van het werk van albrecht b doemlicht en Frederik Lucien de Laere (beide leden van Het Venijnig Gebroed), Jan Wijffels en Andy Fierens laat ons dat al vlug vergeten. Deze laatste, Andy Fierens heeft een stevige reputatie als podiumdichter opgebouwd, o.a. van de eerste slam in Vlaanderen, een wedstrijd waarbij dichters live om de appreciatie van het publiek kampen. Vorig jaar was hij ook writer in residence van De Wintertuin, het grootste literaire festival in Nederland. In deze bloemlezing bewijst hij dat hij behalve met stevig om zich heen schoppen op podia veel meer in zijn mars heeft. 'Kooktips voor kannibalen' doet zijn reputatie eer aan, maar het lange gedicht 'ik ben de Bachus die drinkbare liefde giet' bewijst dat de publicatie van een volwaardige bundel van deze dichter pur sang zich opdringt, iets wat we al voorgevoeld hadden naar aanleiding van de dertig gedichten die hij in 1994, op zeventienjarige leeftijd, onder de titel 'Affectueuze affectiviteiten' in de debutantenreeks Edith liet verschijnen. Meelezende uitgevers met gevoel voor opstormend talent zullen al wel begrepen hebben dat deze uitgave ook voor hen een must is: kwestie van er als eerste bij te zijn en wat verse lucht in hun fonds binnen te laten. (De Houten Gong, maart 2002) jonge
generatie is individualistisch LEVE DE DEBUTANTEN (een bespreking van het literaire tijdschrift
Nymph) ohlsen reageert op schouten of ook wel de mobieltjesgeneratie revisited
uit De eliteratuur maakt plaats voor de rock 'n roll van de
podiumpoëzie
door Wouter de Vries (...)Aan de hand van de nieuwe vorm waarin poëzie gestalte kan
krijgen, verzet Ronald Ohlsen zich tegen de elitaire, academische poëzie
die jarenlang de literaire wereld gedomineerd heeft. Hij betitelt die poëzie
als 'eliteratuur'. "Ik heb er voor mezelf een heel duidelijk beeld
van. Ik vind dat zo'n belachelijke houding van mensen, dat poëzie voor
de kleine elite moet zijn, voor mensen met goede smaak. Ik zie alleen
maar reden daar iets tegen te doen. In Ierse pubs hangen foto's van
dichters gewoon aan de muur en komt het voor dat een cafébezoeker
plotseling een romanfragment van James Joyce declameert. Dáár is
literatuur gemeengoed". lees
maar, er staat niet wat er staat een
allegaartje van weinig originele stijlen, en dan nog op een laag niveau
Deze bloemlezing van 'de eerste generatie dichters van de 21e eeuw'
bevat bijna alle ingrediënten van het klassieke jongereninitiatief,
zoals een prikkelende brutaliteit en de presentatie van overwegend
onbekend talent, behalve: een aanval op de gevestigde namen, die dit
soort uitgaven juist spraakmakend pleegt te maken. Samensteller /
inleider Daniël Dee (1975) onderstreept voorzichtig, en terecht, dat
hij met de 'eerste generatie' alleen dichters bedoelt tot 30 jaar. Er
is geen programma: ieder beheert zijn eige kavel, hetzij hermetisch
hetzij anekdotisch. Een aantal van de gekozenen publiceerde al in
allerlei andere bloemlezingen. Twee dichters steken nu al met kop en
heupen boven de rest uit: Petra Else Jekel (1980) en Ramsey Nasr
(1974). De overigen presenteren een allegaartje van weinig originele
stijlen, en dan nog op een laag niveau. Het boek kan het best genomen
worden op de manier die het, gewild of niet, zelf aanbiedt: met de
nodige ongedwongenheid. Vooral geschikt voor jongeren. (Biblion -
maakt altijd van elk boek een kleine recensie, die vervolgens naar
alle bibliotheken gestuurd wordt, waarop de bibliotheken hun boeken
bestellen.)
terug naar boven 'een heel belangrijk boek - zeer prettige kennismaking - een absolute must,' zei presentator Kenneth van Zijl in het NPS radioprogramma Knetterende Letteren op de gedichtendag, 31 januari 2002 . Daniël Dee werd geïnterviewd en er werd werk voorgelezen van Daniël Dee en Joris Buitendijk. De uitzending is te beluisteren op de Knetterende Letteren site: http://www.omroep.nl/nps/knetterendeletteren/binnen.html
uit
bespreking van 'Awater'
notities bij vijf nieuwe dichters en een bloemlezing
door Gerrit
Komrij
De bloemlezing Sprong naar de sterren, samengesteld
door Ruben van Gogh, verscheen in 1999. De laatste
generatie dichters van de twintigste eeuw luidde de
ondertitel. Je kon dat Sprong naar de sterren ook
lezen als een bestorming van de hemel. Elke nieuwe generatie
dichters is een generatie van hemelbestormers. Nu in 2001,
verscheen er alweer een nieuwe bloemlezing, dit keer
samengesteld en ingeleid door Daniël Dee. Nu, niet alleen
verse dichters, er zitten ook een paar oude hemelbestormers
tussen. De knipoog naar de voorganger Sprong naar de sterren
zit hem niet alleen in de ondertitel - de eerste generatie
dichters van de eenentwintigste eeuw - maar vooral in
de titel: Vanuit de lucht.
Zijn ze al zo hoog?
Het is de bedoeling dat dichters hemels bestormen, maar niet
dat ze daar blijven hangen.
Hoed je als dichters op wolken lopen.
Ik zie een spookbeeld voor me van een hele generatie
dichters in lange, witte jurken die ons vanaf een
ontzagwekkende positie minzaam staan toe te wuiven. Wij,
nietige aardwormen, staren de omwolkte dichters aan, met
open mond en nekkramp. Gelukkig bedoelt Daniël Dee de titel
wat goedmoediger. Zomaar een generatie dichters die uit de
lucht komt vallen, betekent het misschien eerder. En vooral dat
het hier een bloemlezing betreft die in vogelvlucht een
overzicht wil bieden van de zojuist uit het ei gekropen
dichters.
Om te worden opgenomen moesten 'de dichters na 1970 zijn
geboren, Nederlandstalige poëzie schrijven, zojuist
gedebuteerd zijn of dat zeer binnenkort gaan doen,
publiceren in literaire tijdschriften, her en der te vinden
zijn op verschillende podia, hun werk serieus nemen en er
actief mee bezig zijn.'
Bloemlezingen als Vanuit de lucht lijken dus eerder
de traditie te herstellen van jaarboeken als Vandaag
en Werk van nu. Tussentijdse inventarisaties, een
handreiking aan de lezers en lezeressen die periodiek willen
worden bijgetankt. En bovendien een uitlaatklep voor
ongeduldig trappelende nieuwkomers. En bovendien een
bindmiddel voor uitgevers.
Dichters, publiek en uitgevers gelukkig. Zulke bloemlezingen
kunnen er nooit genoeg zijn.
Programmatisch en polemisch valt er weinig eer aan te
beleven, dat besefte de samensteller zelf ook wel. Vanuit
de lucht biedt niet meer, maar vooral ook niet minder,
dan een collectie behoorlijke gedichten met een flinke dosis
Groningse assertiviteit. 'Uiteraard wil ik de lezers die het
een sport vinden om overeenkomsten te zoeken in de
verschillende gedichten, niet het plezier ontnemen'
voegt de samensteller er nog aan toe.
Zelf houdt hij duidelijk niet van sport.
Belabberde keuzes
Ik kon het niet nalaten naar enkele sleutelzinnen in Vanuit
de lucht te speuren. Niet meer dan een spel. Een
losse indruk. Ik nam mijn werk niet echt serieus, daar
hebben we de dichters voor. U moet het zien als de reflex
van de sportieve lezer. Een andere lezer haalt er
waarschijnlijk weer andere sleutelzinnen uit.
Sleutelzinnen die uiteindelijk alleen iets zeggen over
de voorkeur van de samensteller.
Ik heb actief gespeurd, een paar minuten. Wat ik vond kwam
eigenlijk allemaal samen in het gedichtje Hooggeëerd
publiek van Joris Buitendijk -
Ik kan nu twee dingen doen:
een gedicht schrijven of
mijn buik opensnijden met een broodmes,
totdat mijn darmen eruit gulpen
en ik in een plas van bloed
en ingewanden mijn dood vind
Ik hoor u denken:
Deze jongen maakt belabberde keuzes.
In zekere zin is dit poëzie van luxeproblemen, welvaartspoëzie.
Het heden biedt alle mogelijkheden, de toekomst is
ijzig: er moet gekozen worden. De keuzes zijn legio.
honger is een keuze, net als liefde
of regen
(Thomas Möhlmann). We kunnen niet kiezen en toch willen we graag
kiezen -
de liefde en ik
we hebben het geprobeerd
maar we liggen elkaar niet zo goed.
(Daniël Dee). De dichters nemen hun toevlucht tot zich
nadrukkelijk als fantasie presenterende erupties van
wreedheden en noodlotscenario's. Darmen die naar buiten
gulpen, kooktips voor kannibalen -
negernieren in bladerdeeg
prostaatrollade met venkel en citroen
(Andy Fierens). Er worden moordzuchtige dromen gekoesterd
zoals in het fraaie gedicht Nacht van Ramsey Nasr -
Ik haat je niet. Lief heb ik je en gedood,
Zoals men vaker doet om te overleven.
Je weet dat ik geen keuze had
- er is een aanhoudend helder besef van het grote aantal
mogelijkheden en er is een hyperbewustzijn van de eigen
dramatische pose, de pose van de onmacht -
Wij zijn niet meer te redden
maar wij hebben het gewild
(Frederik Lucien de Laere). Alles vindt plaats onder het oog
van het hooggeëerd publiek. De verbazing over de eigen
gewoonheid. Het maakt allemaal niet erg veel uit en
juist dat schrijnt. Je wilt meeslepend leven en je
omgeving blijft er onaangedaan onder. Je doet gewoon je
dagelijkse dingen en de wereld begint zich raar te gedragen.
Wanneer een 'buik opensnijden met een broodmes' enkel een
keuze is, vergelijkbaar met poëzieschrijven, moet je
wel tot de ontdekking komen, soms tot je eigen schrik,
dat je zelf grenzen moet stellen, aan je omgeving en aan je
zelf. Dan wordt de poëzie opeens weer een poëzie van
ordening en paniekbezwering.
En daarmeer poëzie van alle tijden. (Awater,
januari 2002)
krakatau (interview met ruben van gogh) Wat vind je van de aanpak van Daniel Dee m.b.t. Vanuit de lucht? Zoals Daniel in zijn voorwoord zegt is Vanuit de lucht geen vervolg van Sprong naar de sterren. Daniel geeft ook geen verbindende elementen aan waarom er sprake is van een generatie behalve dan de leeftijd. Dit vind ik jammer. Ik hou er wel van als iemand juist gaat kiezen en een nadrukkelijkere mening durft weer te geven. Maar voor de rest is het goed. Ik had zelf niet het idee dat de tijd rijp was om weer een generatie te bloemlezen. Na Sprong naar de sterren had ik zoiets van ik weet nu wel wat er gaande is in de poezie. Het is Daniel gelukt om veel voor mij nieuwe dichters te laten zien. Van de bundel Vanuit de lucht in het algemeen vind ik de titel en het omslag mooi. Toch zijn er wel veel slordigheden in te vinden zoals spelfouten, dubbele spaties, het ontbreken van spaties na komma's enz. Dan denk ik: "Redactie, lees het nou!" Ze zouden het vier of vijf keer gelezen moeten hebben. (Krakatau, nr. 12) uk-columnist bundelt gedichten door Herman Sandman
Hij vergat zichzelf niet. Want columnist van de
Universiteitskrant, redacteur van het literaire tijdschrift
Krakatau en jurist (?), organisator en recensent van poëtische
uitingen, alsmede voormalig RuG-huisdichter. Voor
samensteller Daniël Dee (1975, Empangeni, Zuid-Afrika)
spraakmakend genoeg om zichzelf eveneens te bundelen in Vanuit
de lucht - De eerste generatie dichters van de
eenentwintigste eeuw. Tenslotte is hij van na 1970,
de belangrijkste voorwaarde.
Een jonge wind waait er al een tijdje door poëzieland. Op
festivals , literaire avonden of in theaters, cafés en
publicaties. De nog niet zo oude dichters zijn overal te
vinden. Op de grens tussen poëzie en performance vaak, niet
bang om de voordrachtskunst te mixen met muziek, beeld en
ander geluid. Er is zelfs sprake van een nieuwe generatie en
zij wordt in de literaire kringen 'de eerste generatie van de
21ste eeuw' genoemd. Een bundeling zou dan al mooi zijn, niet
waar? Vooral ook omdat we, aldus de inleider/samensteller,
'het portaal zijn doorgegaan dat de twintigste eeuw scheidt
van de eenentwintigste eeuw'. De door Uitgeverij Passage
verzorgde bloemlezing pretendeert de spraakmakendste voor het
eerst te hebben samengebracht. Dat zijn dan mensen als Tsead
Bruinja, albrecht b doemlicht, Diann van Faassen, Sieger M.
Geertsma, Willem Groenewegen, Klaske Havik, Tjitse Hofman,
Petra Else Jekel (eveneens voormalig RuG-huisdichter),
Ayatollah Musa, Ramsey Nasr, Hagar Peeters, en Steven
Verhelst. Spraakmakend in dichterskringen waarschijnlijk,
want van het grootste deel zal buiten de intimi nog nooit
iemand hebben gehoord. Uit alle hoeken en windstreken zijn ze
niettemin gekomen; Hoorn, Rinsumageest, Brugge,
Groningen, Assen, Kopenhagen en -of all places-
Vlaardingen. Waarbij Dee trouwens hulp, tips en kritiek genoot
van een handje of drie vol andere spraakmakende figuren, zoals
Bart FM Droog, Jasper Henderson, Ingmar Heytze en Menno Wigman.
De bloemlezing is min of meer de opvolger van Sprong naar
de sterren - De laatste generatie dichters van
de 20e eeuw van Ruben van Gogh. Min omdat een
programmatische insteek ontbreekt en meer omdat de traditie
van het bloemlezen (erg populair in de dertiger jaren) hiermee
is voortgezet. Dee zegt ook te hopen op meer bloemlezingen.
Wanneer het enige bindmiddel is dat de auteurs van na
1970 zijn, kan het bijna niet anders of het wordt een poëtisch
allegaartje. Kort, lang, dik dun, grappig, zwaarmoedig,
begrijpelijk en vaag. Met uitsluitend individueel werk van
individuen (28 in totaal) en drie gedichten per auteur is de
stilistische diversiteit meer dan gewaarborgd. En het ligt er
dan maar net aan hoe je dat noemt. Een potpourri van God
Zegene De Greep, of een bloemlezing die 'tracht de stand
van zaken op poëtisch gebied van dit moment bij de eerste
generatie dichters van de 21ste eeuw weer te geven.
Hooggeëerd publiek
Ik kan nu twee dingen doen:
een gedicht schrijven of
mijn buik opensnijden met een broodmes,
totdat mijn darmen eruit gulpen
en ik in een plas van bloed
en ingewanden mijn dood vind
Ik hoor u denken:
Deze jongen maakt belabberde keuzes
Joris Buitendijk
De bundel is uiteraard verre van compleet. Sommigen willen
gewoon niet 'gebloemleesd' worden en anderzijds is er mogelijk
een mooi schrijvende geest over het hoofd gezien. Daarbij
liet Dee uiteraard zijn eigen voorkeur meetellen. Het is
tenslotte een bloemlezing. Een interessante bloemlezing, dat
wel.
Buiten
Toen ik liep langs lange paden
naar de plek waar niemand was
was daar een bank een oude bank
en jij zat daar en ik zat naast je
Er was regen maar wij bleven
zitten - ik streek een sliert
nat haar uit je gezicht.
Klaske Havik
(De Groninger Gezinsbode, 31-12-2001)
de herfst was rijk aan poëzie
door Menno Schenke
Daniël Dee (26), dichter te Groningen, stelde een bloemlezing samen van dichters die na 1970 zijn geboren: Vanuit de lucht (Passage, ƒ 29,75). Bloemlezen doen ze graag, daar in het Noorden, want ook dichter Ruben van Gogh woonde in Groningen toen hij in 1999 zijn bloemlezing Sprong naar de sterren het licht deed zien. Van Gogh bood een podium aan 'de laatste generatie dichters van de 20ste eeuw', Dee biedt dat, zoals de ondertitel luidt aan de 'eerste generatie dichters van de 21ste eeuw'. Van 28 jonge dichters nam Daniël Dee poëzie op in Vanuit de lucht. Een aantal van hen kennen we van festivals: Hagar Peeters, Dee zelf, Ramsey Nasr, Ayatollah Musa. Vanuit de lucht is een bundel met begrijpelijke gedichten, enkele ontoegankelijke verzen én geraaskal. Je krijgt jeuk van de gedichten van de Fries Tsead Bruinja (bijna onleesbare reeksen woorden zonder punten of komma's), maar bewondert het heldere formuleren van drie vrouwen: Jannah Loontjens, Tjitske Jansen en Klaske Havik. Musa is ondoorgrondelijk, Andy Fierens heeft onmiskenbaar gevoel voor humor. De ene dichter swingt, de andere hakkelt, regen en nattigheid kom je meer dan eens tegen, maar deze generatie is er geen van vernieuwers of hemelbestormers. Jammer dat de typefouten niet uit de poëzie zijn gehaald en dat Dee's introductie in zulk kreupel Nederlands is geschreven. (Algemeen Dagblad, vrijdag 21 december 2001)
boekhandel
van someren & ten bosch (zutphen)
Vanuit de lucht van Daniël Dee is een
bloemlezing met werk van jonge dichters. Met deze bundel volgt Dee
het initiatief van Ruben van Gogh, die eerder Sprong naar de
sterren - De laatste generatie dichters van de twintigste eeuw samenstelde.
Met dit verschil dat Dee geen programmatische insteek zegt te
hebben. Alleen leeftijd speelde een rol (geboortejaar tussen 1971
en 1982), zozeer dat enkele dichters die Van Gogh vanwege poëticale
opvattingen bij zijn generatie rekende, ditmaal tot de nieuwe
behoren, zoals Hagar Peeters, Tjitse Hofman en Alfred Schaffer. Vanuit
de lucht biedt een aardig spectrum van de hedendaagse poëzie,
die ook wat betreft originaliteit en kwaliteit divers is. Wel
lijkt de podiumpoëzie de overhand te krijgen. Verder dan deze
vooral eenduidige dichters lijkt Dee ook niet te hebben gezocht.
De ruimhartigheid van Dee leidt ertoe dat lezers voor het hoofd
kunnen worden gestoten door brabbeltaal, wanneer ze niet de
jongvolwassen regels van meer talentvolle dichters opslaan. Maar
dat doet wel recht aan wat een momentopname moet zijn: spannend!
(Het Boekblad, 12-2001)
terug naar boven
Een aantal opmerkingen van Daniël Dee over de nieuwe generatie
dichters
Half november 2001 verscheen de door mij samengestelde en ingeleide bloemlezing 'Vanuit de lucht - de eerste generatie dichters van de 21e eeuw'. Nu, een maand en drie recensies verder, zal ik voorzichtig proberen een kleine balans op te maken.
Hans Warren schreef in zijn
recensie over 'Vanuit de lucht': "Aan waarachtig poëtisch
talent is er inmiddels geen gebrek in Vanuit de lucht. [...] Een
bloemlezing die je de kans biedt om al vandaag de dichters van
morgen te ontmoeten." En dat is precies mijn bedoeling
geweest. Na jaren van grasduinen in de poëziewereld kwam ik
steeds meer dichters tegen die het verdienden om meer aandacht te
krijgen. Jonge talentvolle dichters met potentie tot creatieve
ontwikkeling. Met het uitgeven van deze bloemlezing kreeg ik de
kans om die dichters onder de aandacht te brengen.
Maar wat is nu precies het nut van zo'n overzichtsbloemlezing? Het
is geen Vijftigers
pamflet of Maximalen
geschreeuw. Er is geen thematische of stilistische overeenkomst
tussen de verschillende dichters. Dit wil overigens niet zeggen
dat er geen enkele overeenkomst is te vinden tussen de
verschillende dichters, want zij leven niet in een literair vacuüm
en zij zijn veelal ook wel bekend met elkaars literair werk. Maar
alles kan tegenwoordig in de poëzie, en daardoor is het meer
ieder voor zich. Allerlei subculturen lopen in deze maatschappij
door elkaar heen en dat vind je ook terug in de poëzie. Er is
niet meer één overheersend iets waar je je tegen af kunt zetten,
zoals bijvoorbeeld de Vijftigers deden tegen het bedompte
naoorlogse 'spruitjeslucht' Nederland. Er zit sowieso geen
programmatische insteek aan vast. De enige overeenkomst is dat de
opgenomen dichters zo rond dezelfde periode op deze aardbol ter
wereld kwamen en rondliepen. Ik wil daarom met deze publicatie
slechts laten zien wat er momenteel gebeurt op poëtisch gebied.
Laat de critici, met de intellectuele kennis inzake classificeren
van dichters in richtingen en stromingen, hun hoofden maar over
die materie buigen. Ik ga er vanuit dat zoiets onmogelijk is. En
ook 'Vanuit de lucht' is daarom louter een bloemlezing die bestaat
uit een bonte verzameling dichters, dus geen richting maar een
lichting.
Het lijkt mij sowieso onmogelijk om een algehele poëtica te
formuleren bij 28 van die verschillende dichters met hun eigen
diverse stijlen, zoals ik die in mijn bloemlezing heb verzameld.
Neem nu bijvoorbeeld Tjitse Hofman: die gebruikt geen woord teveel
maar is uitermate klankrijk en daardoor uiterst scherp, stel die
tegenover Tsead Bruinja die geniaal overdadig taalgebruik mengt
met zeggingskracht. Of neem Peter de Groot die absurd burleske
heavy light verse maakt en zet die tegenover Thomas Möhlmann die
welhaast ambachtelijk te werk lijkt te gaan vanuit een innerlijke
noodzaak. Of de zingende helderheid van Ramsey Nasr tegenover de
anekdotische verzen van Maria Barnas. Ik zeg maar wat, maar zo zou
ik nog wel even kunnen doorgaan. Het zal dus nooit lukken om die
dichters onder één noemer te krijgen, tenzij je eclecticisme als
een noemer zou willen beschouwen. En zelfs dat klopt niet, want
slechts met alle 28 dichters tezamen zou men kunnen spreken van
eclecticisme. Niet elke dichter afzonderlijk bedient zich namelijk
van alle stijlen, tonen en thematieken; die smeltkroes ontstaat
pas wanneer je al die dichters samenvoegt, zoals in 'Vanuit de
lucht' is gebeurd. Elke dichter vervolgt verder zijn eigen weg en
dat is goed, want alle dagen bloemkool zou ook alleen maar gaan
vervelen.
Daarnaast beschouw ik het als mijn missie om een opstap te vormen
voor leken in de wondere wereld die poëzie heet. Ik wil mensen,
die nog steeds geloven dat poëzie zwaar en ontoegankelijk is,
laten zien dat poëzie (en zeker bij deze jonge generatie) vitaal,
opwindend en verrassend is. Ik hoop dat 'Vanuit de lucht' een
dergelijke nieuwsgierigheid zal opwekken bij poëzieliefhebbers en
poëzieleken.(http://meander.italics.net,
16-12-2001)
door Peter
Jongsma
Toen Albert Verwey in 1905 zijn "Inleiding tot de nieuwe
Nederlandse dichtkunst (1880-1900)" publiceerde, had hij
geenszins de intentie om een correcte of volledige afspiegeling te
geven van de jongste generatie dichters: "de volledigheid van
dit schrijven berust in de behoefte van den schrijver, die er zich
in trachtte uit te spreken, en de grenzen ervan zijn die van zijn al
of niet vrijwillig gekozen gezichtsveld." Deze zelfde gedachte
lijkt ten grondslag te liggen aan de bloemlezing "Vanuit de
lucht", samengesteld door de onbescheiden dichter Daniël Dee.
Een schets geven van de jongste generatie in de vorm van een bundel
gedichten is op z'n zachtst gezegd een prestigieuze onderneming. En
bijna ondoenlijk. In "Vanuit de lucht" heeft Daniël Dee,
geheel vrij van programma of manifest, 28 jonge schrijvers in
alfabetische volgorde naast elkaar gezet. Volgens Dee zijn het de
spraakmakendste dichters geboren na 1970 met als resultaat een 92
pagina's tellende stortvloed van woorden.
Wat kun je verwachten van een bloemlezing vol dichters zonder aantoonbare samenhang of thema? In ieder geval dat het aangeboden werk divers zal zijn en dat het een indruk hoopt te geven van waar het in de Nederlandse poëzie naar toe gaat de komende jaren. Samensteller Daniël Dee geeft aan dat poëzie onder de jonge generatie leeft, maar is het wel allemaal goud dat blinkt? En in hoeverre zijn deze jongeren een vernieuwing voor het literaire klimaat? Een bloemlezing als "Vanuit de lucht" zou antwoord moeten geven op deze en vele andere vragen; pas over enkele jaren zal uitkomen of deze uitgave van ?Vanuit de lucht? noodzakelijk was of dat het niet meer dan een opstapje voor beginnende dichters blijkt te zijn.
Een eerste lezing van de bundel laat zien dat het werk inderdaad
divers is. De korte, expressieve gedichten van Peter de Groot
bijvoorbeeld staan lijnrecht tegenover het haast prozaïsche werk
van Tsead Bruinja. Hiertussen zweven allerlei mengvormen, thema's en
gedachtes, de een vol humor, de ander weer bedroefd. Zoals verwacht
veel liefde en verdriet.
Wat opvalt is dat veel gedichten naar voren springen door één enkele zin of alinea. Het lijkt alsof het gehele gedicht zich rond deze zin heeft gevormd met het gevolg dat niet het gedicht, maar slechts de aardige vondst bijdraagt aan de waardering van de schrijver. De pakkende openingsregels van het gedicht "Mijn trui" van Frederik Lucien De Laere luiden: "In mijn trui ben ik te lui / om een fatsoenlijk mens te zijn." waarna het gedicht dat volgt zichzelf enigszins verliest in mooischrijverij. De zin "Zo had dit moment / mij mijn manifest gegeven", de slotzin uit het gedicht "Manifest" van Jannah Loontjens, is de krachtige kern van het hele gedicht maar tevens doet het al het bovenstaande op slag vergeten. Zo zijn er meer voorbeelden te vinden, maar het zou de bloemlezing geen recht doen als we haar daarop afrekenen. Er staan immers prachtige gedichten in de bundel, zoals deze van Yorgos Dalman:
Purper
Het purper waaruit dromen ontstaan,
en het purper van Bic balpenneninkt waarmee je heel speciaal ongenaakbaar kunt schrijven of ik of Blitzträumen.
De schaduw van een treurwilg die valt
over het water van een kleine ven, het water waarin een libel levenloos op haar ruggetje drijft. De schaduw op dat water. De vleugeltjes. De gebroken schittering.
Dat purper.
De keuzes die Daniël Dee bij het samenstellen van "Vanuit de
lucht" heeft gemaakt zijn uiteraard discutabel. Mijns inziens
heeft hij heel veel talent links laten liggen (Erik
Spil, Pieter
Pijlman, Daniëlle
Biemans) en een aantal onterecht opgenomen, maar dat neemt niet
weg dan "Vanuit de lucht" een boeiende inzage geeft in de
opvattingen over poëzie onder de jongeren van nu.
Het gekozen werk suggereert dat er anno 2001 niets nieuws onder de zon is - veel grijpt terug op voorgangers uit de jaren zestig en zeventig - maar die conclusie is misschien nog wat te voorbarig. De schrijvers zijn immers nog jong en slechts enkelen van hen, waaronder Ramsey Nasr en Alfred Schaffer, hebben hun sporen al enigszins verdiend in de grotemensenwereld der literatoren. Er valt voor de jongeren dus nog genoeg te leren, want voor wat de onbekende dichters betreft was het voor mij een eerste, maar meestal aangename, kennismaking. Al met al kan ik zeggen dat de Nederlandse poëzie de komende jaren niets te vrezen heeft.(Meander op zondag (16-12-2001): http://meander.italics.net) WAT
IS ER TOCH AAN DE HAND MET 'VRIJ NEDERLAND'?
geen vuiltje aan de lucht
de eerste dichtersgeneratie van de nieuwe
eeuw meldt zich in 'vanuit de lucht'. En?
door Rob Schouten
Nieuw, eenentwintigste-eeuwse dichters! Een hele
kakelverse generatie, geboren in de jaren zeventig en nu aan het
woord, bij monde van de bloemlezing Vanuit de lucht. Samensteller
Daniël Dee grijpt in zijn inleiding nadrukkelijk terug op de ook
nog maar net in de kast gezette bloemlezing Sprong naar de
sterren van Ruben van Gogh, die 'de traditie van het
bloemlezen van jonge dichters weer heeft opgepikt'. Sprongen ze bij
Van Gogh omhoog naar de sterren, hier kijken ze dus vanuit hun
hemelse positie weer naar beneden.
Om van Gogh nu al tot pionier te bombarderen lijkt me
trouwens knap bijziende, een paar jaar eerder verschenen ook al
soortgelijke jongerenbloemlezingen, zoals die van Rogi Wieg Ieder
hangt aan zijn gevallen toren, of Aan iedere spijker een
regel van Serge van Duijnhoven. In feite is het een gewoonte
die halverwege de jaren tachtig door Maximaal weer in gang werd
gezet. Maar een zekere kortzichtigheid en de neiging om het wiel
opnieuw uit te vinden, is nu eenmaal een charmante hebbelijk van
jonge generaties.
En verder heeft die neiging tot enigszins gehaast
bloemlezen te maken met het feit dat de traditionele tijdschriften
hun rol als kweekvijver hebben opgegeven. Om tegenwoordig aandacht
te trekken moet je allemaal bij elkaar gaan staan en hard roepen dat
je er bent.
Kreeg van Gogh na zijn bloemlezing nog op zijn kop
van generatiegenoten als Ilja Pfeijffer omdat hij eenzijdig voor
toegankelijke en verstaanbare poëzie koos, Dee kijkt wel uit
en houdt zich programmatisch op de vlakte. Geen beginselverklaring
dus. Toch valt op dat ook zijn dichters vooral niet ingewikkeld
of hermetisch willen doen. De internet- en mobieltjesgeneratie
produceert voortdurend vrije en gemakkelijke gedichten. Het
experiment is zo te zien uit de gratie of komt hier niet aan bod.
Wat dat betreft is de foto op de omslag van een boek tegen een
smetteloos blauwe hemel typerend: er is geen vuiltje aan de
lucht.
Op een paar eenentwintigste-eeuwse dichters na die u
en ik al kenden omdat ze tevens de laatste twintigste-eeuwse
dichters waren, zoals Hagar Peeters en Alfred Schaffer, is het
allemaal nieuw spul. Of Joris Buitendijk, albrecht b doemlicht
(sic), Peter de Groot, Thomas Möhlmann, Kasper Peters, Jan Wijffels
en hun tientallen collega's de dichters van de toekomst worden lijkt
me alleen nog maar de vraag. Het is allemaal vederlicht. Neem
'hooggeëerd publiek' van Joris Buitendijk:
Ik kan nu twee dingen doen:
een gedicht schrijven of
mijn buik opensnijden met een
broodmes,
totdat mijn darmen eruit gulpen
en ik in een plas van bloed
en ingewanden mijn dood vind
Ik hoor u denken:
deze jongen maakt belabberde
keuzes.
Een grapje, op z'n hoogst! En ook as het al eens
energiek of melancholisch wordt houdt het gemiddelde niet over. Een
beetje gezochte Sturm-und-Drang, 'Ik ben een kind van de stad / een
krijger een strijder / met woorden vol heftigheid / pas maar op want
ik snijd / door alles heen' (Sieger M. Geertsma), wat treurig
tekortschieten,'de liefde en ik we hebben het geprobeerd / maar we
liggen elkaar niet zo goed' (Dee zelf), meer levert het niet op.
Niet de stijl of het poëtisch gehalte valt tegen
maar het feit dat er in deze bloemlezing bijna niks nieuws gebeurt.
Geen nieuw levensgevoel, geen ongedachte taalexpedities. Ongeveer
ieder gedicht komt je ergens bekend voor. Het kan zijn dat die
teleurstelling van papier veroorzaakt wordt door het feit dat veel
gedichten voor het podium geschreven zijn en beter bekken dan ze
ogen.
Opgewekt is het overigens allemaal wel, het lijkt wel
of ernstiger en filosofischer tonen bewust vermeden worden. Zelfs
een op het eerste gezicht geëngageerd gedicht met de titel
'Protest tegen het verwerken van krokodillen tot tassen' (Steven
Verhelst) pakt heel anders uit dan je verwacht als de actievoerders
in het krokodillenhok de liefde bedrijven en opgegeten worden waarna
de oppasser hun afgekloven koppen wegschopt: 'Al weer zo'n Greenpeace
actie.' Herman Brusselmans en Ronald Giphart hebben hun werk hier
kennelijk gedaan.
Als je voor het gros van de hier bijeengeplukte
dichters een passende titel zou willen bedenken, kom je uit op iets
als de Nieuwe Vrijblijvendheid. 'Wij zijn niet meer te redden /
maar wij hebben het gewild,' schrijft Frederik Lucien De Laere in
een zelfinzichtelijke bui.
Natuurlijk is het onzin om het klimaat van de
eenentwintigste eeuw aan de hand van zo'n voorbarige bloemlezing te
voorspellen maar je zou kunnen denken dat er veel lucht en weinig
diepgang in de poëzie op komst is. Daar hoef je niet per se droevig
onder te worden, misschien verandert de dichtkunst langzaamaan wel
in een vrolijke mallemolen. Maar de springerigheid van deze
allerjongste poëzie stemt vooralsnog tamelijk treurig. 'Kom uit bed
/ en doe je borsten om' schrijft Kasper Peters olijk. Dat niveau
dus! Voorlopig was vroeger alles beter. (Rob Schouten, Vrij
Nederland 15-12-2001)
terug naar boven Ik schotelde Daniël Dee de volgende vragen voor om wat meer te weten te komen over zijn werkwijze en vooronderstellingen bij het samenstellen van de bloemlezing. Er wordt in de vragen gesproken van een recensie en de inleiding die Dee schreef voor de bundel; deze zijn, samen met nog meer informatie, na te lezen op de website van Vanuit de lucht: http://vanuitdelucht.cjb.net. Waarom heb je er voor
gekozen om als samensteller zelf in het boekwerk te verschijnen
met drie gedichten? Was het niet gepast om je als redacteur wat
bescheidener op te stellen? "‘Bescheidenheid siert de mens’, maar wat heb je eraan een sierpauw te zijn, zonder dat iemand naar je veren kan kijken? Ik zou dus niet weten waarom bescheidenheid in dit geval gepast zou zijn. Dat is een typisch Nederlandse gedachte: vooral niet haantje de voorste zijn. Nu ben ik dat van nature niet, maar wil ik wel graag aandacht voor mijn werk. Ik schrijf ten slotte niet voor niets. Deze bloemlezing was dus een uitgesproken gelegenheid om, naast andere talentvolle dichters, mijn eigen werk onder de aandacht te brengen. Ik ben er ook trots op en ben daarnaast benieuwd hoe anderen mijn werk ervaren. Daarbij voldoe ik aan de gestelde eisen van de bloemlezing: ik schrijf Nederlandstalig, ik ben na 1971 geboren, ik heb in verschillende tijdschriften gepubliceerd, ik zal binnenkort debuteren, ik ben er actief mee bezig en ik neem mijn werk serieus." Wat vind je van de
(indirecte) kritiek die Ronald Ohlsen in zijn recensie in de
Groningse Verakrant geeft op je inleiding, dat je ook de
eenvoudigste zaken die de deelnemende dichters wél kan verbinden
- zoals gebruik van het vrije vers - niet vermeldt? "Ik vind de kritiek erg opbouwend. Toch zou ik willen vermelden dat het mij niet ging om in deze bloemlezing dichters tegen wil en dank in een programmatisch hokje te duwen. Ik vind dat lezers en critici zelf maar moeten uitzoeken wie in welk hoekje moet geduwd worden. Mijn taak beschouw ik voornamelijk als opstap: ik wil het publiek kennis laten maken met het werk van deze jonge dichters. Daarnaast wordt het snel duidelijk, wanneer je de bloemlezing begint te lezen, dat er vrijwel alleen maar vrije verzen in staan (dit zegt overigens niets over een programma). Zo wordt het ook direct duidelijk dat iedere dichter gebruik maakt van de 26 letters van het alfabet. Ik bedoel: hoever moet een bloemlezer gaan om geforceerd een verbintenis onder de dichters te vinden?" Zou het niet goed geweest
zijn om die smaak en voorkeuren van jou persoonlijk, die je
volgens je inleiding voornamelijk hebt gebruikt bij het
samenstellen van de bundel, te expliciteren zoals bijvoorbeeld
Gerrit Komrij doet in het voorwoord van zijn 'Dikke Komrij' (dat
hij bijv. alle Vaderlands, Gods- en Oranjelievende werkjes er uit
heeft gelaten) of op het gebied van gender? Kun je alsnog iets van
die smaak en voorkeuren prijsgeven? "Helaas kan ik niets
prijsgeven van die smaak en voorkeuren. De totalitaire geheime
breinpolitie bewaakt deze smaak en voorkeuren, opdat ontsnappen
welhaast onmogelijk wordt gemaakt en zware represailles staan op
overtredingen. Ik heb geen idee waarom mijn breinpolitie zoiets
doet. Mensen die denken te weten wat die smaak en voorkeuren van
mij zijn: zeg het mij en zeg me wie ik ben. De juiste antwoorden
zal ik op waarde weten te schatten en belonen naar verdienste. Kun je wat meer vertellen
over die traditie uit de jaren dertig van de twintigste eeuw,
waarin - volgens je inleiding - jaarlijks bloemlezingen van jonge
dichters verschenen? "Jawel, maar wat wil je er over weten? Ik kan hier wel een literatuurles gaan houden, maar dan kan ik net zo goed verwijzen naar de betere literatuurgeschiedenisboeken. Ik kan nog wel even een tip geven: lees bijvoorbeeld eens de bloemlezing In aanbouw uit die tijd; zeer de moeite waard en ook een beetje nostalgie." (GLK, 10-12-2001) Rense
Sinkgraven
In zijn inleiding waarschuwt hij ervoor geen groep of programma in
deze bloemlezing te zien. Dee koos wat hij mooi vindt, maar ik had
graag iets gelezen over zijn bevindingen. Een inleiding moet de lezer
ook vertroetelen en overhalen de gedichten gretig ter hand te nemen.
Zoals Ruben van Gogh twee jaar geleden in zijn bloemlezing Sprong naar
de sterren 'niks cryptisch, niks hermetisch' verzamelde, maar
'gebeurende poëzie' van de planken trok, volgens hem toen een nieuwe
tendens.
Misschien was Dee bang net zoveel ophef te veroorzaken. Dichters die
zich niet thuis voelden in het nieuwe programma dat Van Gogh
aankondigde, hebben zich immers heftig verzet tegen de inlijving. Een
van hen was Ilja Leonard Pfeijffer. Vanuit de lucht is volgens Dee een
onprogrammatisch vervolg op Van Goghs bloemlezing. Jammer, want
programma's, lef en rumoer doen de letteren leven.
Er staan bijzondere gedichten in deze bundel en sprankelende strofen.
Diann van Faassen moeten we bijvoorbeeld in de gaten houden. Haar
gedichten hebben nog een beetje te lijden onder rijmdwang, maar de
perfectie gloort: 'Hij spreekt tot mij in koektaal/ zachte letters aan
een lijn/ ik mag ze happen allemaal/ met ogen achter theedoek zijn'.
In de derde regel gaat het even mis, maar het beeld is scherp. Want
wat is taal voor een dichter anders dan happen naar lekkers?
Tsead Bruinja - wat een boel Friese en Groningse namen in deze bundel:
Klaske, Tjitse, twee keer Tjitske, maar ook een Ayatollah - schrijft
normaal alleen in het Fries, maar hier zijn Nederlandse gedichten
opgenomen. En die zijn prachtig. De kortademigheid, het gebrek aan
interpunctie, de gewaagdheid van zinnen die door elkaar lopen, dat
alles verwart gedicht en lezer. Het zet je op een ander spoor.
Bruinja's gedichten lijken een beetje op de gebroken verhalen van Dirk
van Bastelaere en Peter Holvoet-Hanssen: ze zitten tussen proza en poëzie
in en scheppen zo een nieuw universum. Een gedicht als 'Ramsoep met
stootgarnalen' begint met 'knuffelstreken branden gaten door zolders/
zoals sigaretten vallen door strak pantystof'. Dat prikkelt de geest.
Helemaal eens hoef je het met Dees keuzen niet te zijn (er zit
behoorlijk wat persoonlijk drama bij: het gros gaat over liefde en zit
bovenop de huid van de dichter), maar verhelderend is zo'n bloemlezing
wel. Zo wordt weer eens duidelijk wat nu in jong dichterlijk Nederland
in de lucht fladdert. (NRC,
7-12-2001)
terug naar boven
door Hans
Warren
Hoe jong is jong? In de Nederlandse literatuur van
vandaag worden schrijvers niet gauw meer oud. Auteurs van diep in de
dertig, van voor in de veertig: ze gaan voor jongeren door. In de pas
verschenen bloemlezing Vanuit de lucht is werk van een aantal
dichters bijeengebracht die je met meer recht jong kunt noemen. De
oudsten in de door Daniël Dee (zelf van de jaargang 1975) samengestelde bundel
zijn dertig jaar, Tjitske Mussche is de jongste met haar negentien jaar.
De lezer wordt een kennismaking met "de eerste generatie dichters
van de eenentwintigste eeuw" beloofd. Wat je natuurlijk
nieuwsgierig maakt: zal in deze nieuwe eeuw ook een nieuw geluid
klinken?
In elk geval zijn de namen in deze uitgave nieuw. Maria
Barnas (geb.1973) publiceerde weliswaar al twee romans, de gedichten van
Ayatollah Musa (geb.1979) en Hagar Peeters (geb.1972) zijn niet
onopgemerkt gebleven, de debuten van Ramsey Nasr (geb.1974) en Alfred
Schaffer (geb.1973) werden zelfs voor de C. Buddingh'-prijs genomineerd.
Maar de meeste door Dee uitverkoren dichters genieten hooguit
plaatselijke bekendheid. Het zal elke poëzieliefhebber goed doen zoveel
nieuwe gezichten te ontdekken: de toekomst van de dichtkunst lijkt
daarmee gegarandeerd, de sombere verhalen van sommigen ten spijt.
Maar krijgt ook de poëzie een nieuw gezicht? Als je af
mag gaan op de keuze van Dee nauwelijks. Hij heeft geen programmatische
bloemlezing gemaakt, maar een overzicht van alle tonen en stijlen:
"Anekdotisch, hermetisch, verstaanbaar, werkelijkheidsgericht,
autonoom." Dichterlijke benaderingen die een zeer vertrouwde indruk
maken. En voor vorm en inhoud van de gedichten geldt iets dergelijks. De
jonge dichters zetten op hun manier de oude tradities voort. Het kan
zijn dat ze hun gedichten niet met de kroontjespen, maar op de computer
schrijven, maar in hun taal en hun benadering is weinig of niets van de
rages van vandaag te merken. Serieuze poëzie is en blijft iets wat je
in een bundel leest en niet op een schermpje leest.
De liefde is voor deze poëten een belangrijke bron van
inspiratie. 'Jij was teveel een vriend in plaats van meer / en
niemand wist, mocht weten / dat ik spelen moest alsof het niets / was',
dicht bijvoorbeeld Klaske Havik (geb.1975). De samensteller Dee kiest
voor een minder voor de hand liggende bewoording: 'de kermis van de
liefde / een suikerspin met cyaankali een spookhuis / met
kwelgeesten een eeuwig draaiende draaimolen.' Een verwant geluid
valt bij heel wat dichters te beluisteren. Rijmen is uit, praten is in.
Maar het is wel een intense vorm van praten: oreren en bezweren. Vooral
Andy Fierens, een 25-jarige dichter uit Vlaanderen, stort zich in een
wilde woordenroe: 'ik ben de Bacchus die drinkbare liefde giet / in
de voor van het meisjesgewei, kreunend / de lange leugen.'
Met dit soort regels lijken de jaren vijftig in de dichtkunst terug te keren. De jaren zestig herleven door de vele jonge dichters die besloten hebben de hoofdletters en de leestekens af te schaffen.
Aan waarachtig poëtisch talent is er inmiddels geen
gebrek in Vanuit de lucht. Onder andere de geestige Joris
Buitendijk (geb.1978), de originele kleurgedichten van Yorgos Dalman (geb.
1973), de nuchtere verzen van Peter de Groot (geb. 1973), het grappige
'Protest tegen het verwerken van krokodillen tot tassen' door Steven
Verhelst (geb.1976) wekken verwachtingen. Een bloemlezing die je de kans
biedt om al vandaag de dichters van morgen te ontmoeten.
(De
Provinciale Zeeuwse Courant, 29-11-2001)
door Reinier
Spreen
In de bloemlezing Vanuit de lucht presenteert
Daniël Dee 'de eerste generatie dichters van de eenentwintigste eeuw'.
Met die ondertitel verwijst de voormalige huisdichter van de
Rijksuniversiteit Groningen ondubbelzinnig naar de bundel Sprong
naar de sterren, waarin Ruben van Gogh twee jaar geleden 'de
laatste generatie dichters van de twintigste eeuw' bijeenbracht. Toch
neemt Dee afstand, zoals te lezen is in zijn voorwoord: 'Geen opvolger
is Vanuit de lucht, omdat deze bloemlezing geen programmatische
insteek heeft.' Een twijfelachtige uitspraak, want Sprong naar de
sterren had al evenmin zo'n 'insteek'. Het misbaar dat enkele van
de opgenomen dichters destijds maakten heeft dat misschien wel
gesuggereerd, maar van Gogh inleiding kan niet gelezen worden als een
manifest, hoogstens als een synthese. Nergens staat er 'wij willen',
altijd is het 'zij doen'.
Dee noemt zijn selectie een 'satellietfoto boven ons
taalgebied', maar laat die foto verder voor zich spreken. Het enige waar
we van op aan kunnen zijn enkele formele overeenkomsten, waarvan de
belangrijkste is dat de dichters na 1970 zijn geboren. Overeenkomsten
die er vervolgens echt toe doen, in stijl en inhoud, moet de lezer zelf
zien en herkennen.
Bij gebrek aan een 'insteek' zal het geen verbazing
wekken dat Vanuit de lucht als satellietfoto een bont,
rijk geschakeerd landschap laat zien. Wat daaruit echter al snel in het
oog springt, is dat de dingen tot stilstand lijken te zijn
gekomen.Terwijl van Gogh in zijn keuze nog een fascinatie voor de kosmos
meende te bespeuren, staan de dichters in Vanuit de lucht met
de beide benen op de grond. Sterker nog: zelfs de wereld wordt nauwelijks
meer verkend. Gaat er eens iemand op reis, dan blijken het prompt
jeugdherinneringen. Het eerder zo overweldigende universum is voor de
meeste dichters geslonken tot de grenzen van hun stad, en ook die is
niet meer wat zij geweest is: voorheen een oord dat ronkte van
verleiding en opwinding, nu het warme kussen van de verbeelding.
Natuurlijk gebeurt er nog wel eens wat op dat kleine oppervlak, maar van
tumult en vibratie is geen sprake meer. Iemand roert in een beker ijs,
een ander doet een vlieg na. Niet bepaald 'gebeurende poëzie', zoals
van Gogh zijn keuze samenvatte. Als er zich toch wilde taferelen afspelen, blijken ze naderhand in het hoofd van de dichter, en
dienen ze als contrast met zijn kalme toestand. Een gedicht van Dee
zelf vat dat goed samen: 'zoals dat moet / bij haar thuis geweest
om even te praten / (...) / ik kreeg geen knuppel in mijn nek / noch een
bijl die mijn brein in tweeën spleet'.
De dichter van na 1970 lijkt ontnuchterd. De sterk
uiteenlopende stijlen in de bundel van puntig en parlando tot
breedsprakig en bombast, van realistisch tot sprookjesachtig - kunnen
niet verhullen dat wereldse idealen hun kracht verloren hebben. En stak
Ingmar Heytze in Sprong naar de sterren nog de draak met
Slauerhoff, in Vanuit de lucht wordt het romantische verlangen
weer omarmd.
Hoewel een groot deel van de gedichten een tamelijk
gesloten karakter heeft, laat het zich makkelijk raden waar precies naar
wordt verlangd. 'Dat handenvol vroeger gevuld zijn / met zoetgele
prik'' , schrijft Tjitske Mussche, en in de gedichten van Diann van
Faassen huppelen blote meisjesvoeten over het gras. Maar ook als het niet
zo zoet is verwoord kan je niet ontgaan: de kindertijd belichaamt het
verloren geluk, de puurheid en de onschuld. Talloze keren wordt er
gezucht om 'wat was' of 'wat het verloor'.
Vanuit de lucht laat niet over de hele linie
staaltjes van vakmanschap zien. Zowel in stijl als beeldgebruik
missen enkele dichters regelmatig de boot, en uit teveel onrijpe pennen
kwamen gedichten die niet meer bieden dan een enkel mager geintje of
ideetje. Daar staat echter genoeg wek tegenover, onder meer van Steven
Verhelst en Tsead Bruinja - al blijft ook in hun werk de gedachte nogal
eens achter bij de taal.' (Nieuwsblad
van het Noorden, 30-11-2001)
aanhoudend
succes! We stonden in Nijmegen aan de oever van de Waal, Maria
Barnas, Tommy Wieringa en ik en Tommy vertelde hoe hij daar ooit gezien
had dat er een vrouw in de rivier viel. Ze was kopje onder gegaan en, zo
las hij later in de krant, pas weken daarna gevonden. Kilometers
verderop. De sterke onderstroom had haar geen kans gegeven om naar de
kant te zwemmen. Ze was waarschijnlijk zelf gesprongen omdat ze ruzie
had met haar vriendje. Om ons heen waggelden eenden op de kade. Een
moeder speelde geduldig met haar kind. Witte cumuluswolken sleepten hun
schaduwen over het water. De wereld is onschuldig, dacht ik. Het zijn de
verhalen die maken dat sommige plaatsen je doen huiveren. Interview met Daniël Dee door Erik Brus Tot en met de jaren zestig verscheen ze
regelmatig: bloemlezingen waarin een nieuwe generatie Nederlandstalige
dichters wordt voorgesteld. In de afgelopen decennia is dat gebruik nogal
in het slop geraakt. Dit najaar verschijnt echter Vanuit de lucht, de
eerste generatie dichters van en eenentwintigste eeuw. Programmatische
doelstellingen heeft Daniël Dee niet met Vanuit de lucht. Hij wil
vooral de traditie van poëzie-bloemlezingen nieuw leven helpen inblazen. Daniël Dee (1975) was de eerste huisdichter van de Groninger universiteit, waar hij Nederlandse taal- en letterkunde studeert. Hij publiceerde zijn gedichten in diverse tijdschriften en treedt veelvuldig op. Daarnaast is hij redacteur van literair tijdschrift Krakatau. Door zijn activiteiten als dichter en redacteur signaleerde hij de opkomst van een nieuwe generatie dichters wier werk aandacht verdient. Dee vatte het idee op een bloemlezing samen te stellen met de beste Nederlandstalige dichters geboren na 1970. Uitgeverij Passage te Groningen reageerde enthousiast op zijn voorstel, en hij kon aan het werk. Dee: ‘Ik heb alleen geselecteerd op literaire kwaliteit, waarbij ik er vooral naar gekeken heb of een dichter een eigen stem heeft ontwikkeld. Ik heb dichters gevraagd werk op te sturen, en tijdschriften en uitgevers om tips gevraagd. Op die manier kreeg ik veel materiaal binnen. Bij het selecteren heb ik advies gekregen van Hilde Meeus en Wiedeke Piël, die ook allebei Nederlandse letterkunde studeren in Groningen. Uiteindelijk zijn de meeste geselecteerden vertegenwoordigd met drie gedichten die min of meer typerend zijn voor hun werk.’ Papier en podium Uitgeverij Passage schrijft in haar najaarsbrochure over Vanuit de lucht: ‘Er waait een jonge wind door de poëzie. Met name op podia, maar ook in verschillende tijdschriften en lokale bloemlezingen blijkt dat poëzie leeft onder de jonge generatie.’ De belangstelling van jongeren voor poëzie is inderdaad opmerkelijk, maar deze beperkt zich voornamelijk tot de voordracht van poëzie. Overal in het land worden literaire podia georganiseerd, die vaak druk bezocht worden. Poëzie op papier echter wordt nog altijd weinig verkocht; de oplage van de meeste dichtbundels overstijgt de enkele honderden niet. Dee: ‘Poëzie heeft nog steeds het stempel moeilijk en zwaarmoedig te zijn. Ik beschouw het een beetje als een missie om duidelijk te maken dat poëzie heel vitaal en toegankelijk kan zijn. Veel mensen hebben een soort drempelvrees, men moet eraan geroken hebben. Als men een dichters heeft zien optreden is de stap toch wat makkelijker gezet om diens werk te gaan lezen. Ik hoop dat Vanuit de lucht ook een dergelijke nieuwsgierigheid kan opwekken.’ ‘Het is sowieso goed dat er tegenwoordig zoveel dichters op het podium te zien zijn. Ik zie het als back to basic, teruggrijpen op de orale tradities van de poëzie. De tijd is voorbij dat de dichter louter vanuit zijn zolderkamer werkt. De maatschappij is veranderd en daar moet je in meegaan. Er zijn zoveel manieren om jezelf te presenteren, het voordragen van je eigen werk hoort daarbij. Natuurlijk zal Vanuit de lucht ook het land ingaan. We hebben plannen om in de grote steden dichters uit de bloemlezing te laten voordragen, aangevuld met plaatselijke dichters.’ Ieder voor zich Het is bijna onvermijdelijk dat Vanuit de lucht vergeleken zal worden met Ruben van Goghs Sprong naar de sterren (1999), de enige andere bloemlezing met jonge dichters die de laatste jaren is verschenen. Van Gogh bundelde de laatste generatie dichters van de twintigste eeuw en waagde zich aan een inhoudelijke definiëring van hun werk. Van Gogh sprak van ‘gebeurende’, snelle poëzie die beïnvloed is door film- en clipcultuur. In zijn inleiding stelt Dee uitdrukkelijk dat Vanuit de lucht, in tegenstelling tot Sprong naar de sterren, niet programmatisch van aard is. Doelstelling is slechts ‘de stand van zaken op poëtisch gebied weer te geven’. Dee: ‘Ik geloof niet dat er belangwekkende stromingen of programma’s zijn in de huidige poëzie, maar er zijn wel degelijk groepjes dichters. Het is me opgevallen dat er in bepaalde gebieden, en niet alleen in grote steden als Amsterdam en Groningen, concentraties van dichters zijn. Blijkbaar zoekt men elkaar op en werkt het stimulerend om vakgenoten om je heen te hebben. Soms treden dichters uit een bepaalde regio ook samen op.’ ‘Maar dat betekent nog niet dat er inhoudelijke overeenkomsten zijn. Alles kan tegenwoordig in de poëzie, en daardoor is het meer ieder voor zich. Allerlei subculturen lopen door elkaar heen. Er is niet meer één overheersend iets waartegen je je af kunt zetten, zoals indertijd de Vijftigers deden tegen het bedompte Nederland van na de oorlog. Natuurlijk worden er wel inhoudelijke discussies gevoerd, zoals onlangs nog gebeurde over de vermeende tegenstelling tussen podiumdichters en dichters op papier. Maar vaak komen die discussies voort uit egotripperij. Ze leiden ook meestal nergens toe.’ ‘Ruben van Gogh heeft toch geprobeerd een gemeenschappelijk kenmerk te vinden bij een aantal nieuwe dichters, maar het is niet goed gelukt. Het was te geforceerd. Verschillende dichters in zijn bloemlezing hebben later ook afstand genomen van het programma waaronder ze geschaard waren. Ze wisten aanvankelijk niet eens dat Van Gogh dat doen zou. Ik denk dat zo’n programma gewoon niet erg in deze tijd past. Toch zie ik Vanuit de lucht wel als een opvolger van Sprong naar de sterren, de titel die ik heb gekozen verwijst er ook naar. Ruben van Gogh heeft een traditie, het bloemlezen van jonge dichters, weer opgepakt. Met Vanuit de lucht probeer ik die ontwikkeling voort te zetten.’(Passionate, november 2001)
Reactie van Daniël Dee op het
artikel Arme jonge dichters van nu. In het artikel Arme jonge
dichters van nu uit De Groene Amsterdammer nr. 18 van 5 mei 2001
maakt Joris van Casteren geheel uit vrije wil reclame voor de dit najaar
te verschijnen en tot op heden nog titelloze bloemlezing van jonge
dichters aan het begin van het derde millennium (Uitgeverij Passage,
Groningen), die door ondergetekende wordt samengesteld en ingeleid. Bij
deze wil ik hem dan ook hartelijk bedanken voor de moeite die hij zich
heeft getroost. Het eindresultaat mag er wezen -twee hele pagina’s uit
het onafhankelijke weekblad sedert 1877 zijn ter beschikking gesteld en
volgeschreven. In zijn artikel refereert Van Casteren
aan de bloemlezing, die een weerspiegeling van de stand van zaken onder
Nederlandstalige jonge dichters zal worden, als: ‘niet overtuigd [...]
geraakt van de noodzaak’. De bloemlezing blijft bovendien ‘consequentieloos
in het luchtledige […] hangen’. Deze uitlatingen kan ik alleen maar
toejuichen. De noodzaak van poëzie ligt mijns inziens -en met mij vreemd
genoeg hele volksstammen- enkel en alleen bij de dichter zelf, wat die
noodzaak ook moge behelzen. Op het moment dat een gedicht af is en
gepubliceerd wordt, zal het vanzelf in het luchtledige gaan hangen, alwaar
een bereidwillige lezer er makkelijk bij kan om het te plukken en zich er
vervolgens desgewenst aan kan gaan laven. De bloemlezing draagt de
noodzaak in zich jonge dichters, die het verdienen om gelezen te worden,
bij een groter publiek onder de aandacht te brengen, zodat zij hun
plaatsje in schrijversland, langzaam maar zeker bevestigd zullen zien. Dat
Van Casteren verzuimt even verder te denken om zo tot deze conclusie te
komen zal ik hem maar direct vergeven. Hij is tenslotte één jaar jonger
en derhalve waarschijnlijk nog onstuimiger dan ik. Dat het artikel van Van
Casteren voorts wemelt van de feitelijke onjuistheden of verouderde
berichtgeving zal ik ook maar direct aan zijn jeugdige onstuimigheid
wijten. Ik zal over mijn hart strijken, want ik wil hem niet in zijn
integriteit als objectief journalist aanvallen. Ik zal dus die feitelijke
onjuistheden hier laten voor wat ze zijn, maar ik wil hem wel even, zoals
een goed burger betaamt, waarschuwen
en voor erger behoeden. Een journalist met een malafide, lakse en/of
onkundige reputatie zou wel eens verkeerd kunnen vallen in zijn werkveld.
In het ergste geval zou zoiets zelfs kunnen leiden tot ontslag en zelfs de
bedelstaf. Dat wil ik niet op mijn geweten hebben. Dus Van Casteren: doe
eerst grondig onderzoek naar je onderwerpen alvorens je er in een
publicatie iets over beweert. Hoe dan ook: Joris van Casteren wordt hartelijk bedankt, keep up the good word en even goede vrienden. Daniël Dee
Door Joris van Casteren
Onlangs bereikte mij het verzoek of ik, ten behoeve van een bloemlezing,
gedichten uit mijn pas verschenen bundel beschikbaar wilde stellen. Aan
de telefoon vroeg ik de betreffende samensteller – een zekere Daniël
Dee, een vanuit Groningen opererende muzenzoon – waarom hij juist op
mijn verzen was belust en wat precies het thema van de bloemlezing zou
zijn. Hij wist niet direct antwoord op die vragen maar zegde mij toe
zijn plannen dezelfde dag nog per e-mail te ontvouwen. De mail kwam
spoedig daarop binnen: <<Zoals beloofd even wat puntsgewijze
informatie omtrent de bloemlezing waar ik je voor gevraagd heb.>>
Het moest een bloemlezing worden <<met de eerste generatie
dichters van de 21ste eeuw (de stand van zaken)>>. De samensteller
meldde dat <<het geboortejaar echt is getrokken bij 1971>>,
want <<anders kan je op een gegeven moment bezig blijven>>.
De Groningse uitgeverij Passage zou de uitgave mogelijk gaan maken.
Daarop volgde een lijst <<generatiegenoten>> die reeds
hadden toegezegd. <<Verder weet ik nu niet meer wat ik over de
bloemlezing moet vertellen>>, besloot de samensteller zijn
bericht.
Ik mailde hem terug dat ik toch niet overtuigd was geraakt van de noodzaak van zijn bloemlezing: <<Aan de telefoon zei ik je al dat een té star programma mij tegen zou staan, omdat je dan tegen wil en dank voor een bepaalde kar wordt gespannen en de poëzie dus niet onbevangen kan worden gelezen. Het andere uiterste, helemaal geen programma, is echter ook niet ideaal. En dit laatste is met jouw bloemlezing een beetje het geval. (...) Het spijt mij, ik doe dus niet mee. Even goede vrienden niettemin.>> De samensteller reageerde nog eenmaal: <<Ik wilde toch nog even zeggen dat het niet helemaal klopt met het visieloze dat jij denkt te zien in de bloemlezing. Het is alleen zo dat ik nu nog niet echt iets paraat heb, maar het is wel de bedoeling dat ik iets van een visie in de inleiding ga zetten, dat rechtvaardigt dan ook gelijk weer in jouw optiek de noodzaak van deze aankomende bloemlezing. Ik wil alleen even wachten met die visie deponeren tot ik precies weet wie er in komen te staan.>> Iets van een visie. Maar met die visie wachten tot duidelijk is wie hebben toegezegd. Voor <<mijn>> generatiegenoten die reeds toezegden, is een visie kennelijk helemaal geen voorwaarde om mee te doen, anders hadden zij voor onvoorwaardelijke publicatie wel gewaakt. Baat het niet dan schaadt het niet, moeten deze bijdragers hebben gedacht. [...] (De Groene Amsterdammer, 5-5-2001)
door Rogi
Wieg
'Eerst publiceer je in tijdschriften. Dan in boekvorm, en daarna
verschijnt er werk van je in een bloemlezing. Een goede bloemlezing laat
niet alleen zien wat de samensteller mooi vindt, maar moet ook iets
tonen van de literaire wereld, de uitgevers, de critici, hebben
aanvaard. Een bloemlezing moet het werk bevatten van kunstenaars die een
zeker respect van verstandige mensen hebben gekregen. De bloemlezer is
geen ontdekker van nieuw talent. Hij verzamelt wat in de jaren is
doorgebroken en kiest daaruit zijn voorkeuren.' (Nijgh & van Ditmar,
1988)
© Auteursrecht berust bij de auteurs op basis van de
Auteurswet 1912. Er mag niets uit deze Website worden overgenomen,
opgeslagen op media ter verspreiding onder derden, op een website worden
gezet, gepubliceerd of anderszins verveelvuldigd zonder uitdrukkelijke
en voorafgaande toestemming van de auteurs. Overtreding van de
Auteurswet is strafrechtelijk en internationaal vervolgbaar.
© No part of this website may be used or reproduced in any manner whatasoever without the written permission of the author, except in the case of brief quotations embodied in critical articles or reviews.
|