Schrijver Couperus, Louis

Titel Stille kracht, De

 

Jaar van uitgave 1900

Bron NRC Handelsblad

 

Publicatiedatum 01-09-1972

Recensent Marja Roscam Abbing

Recensietitel De Stille Kracht van Indië

 

 

"De volle maan, tragisch die avond, was reeds vroeg, nog in de laatste dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde als een zonsondergang laag achter de tamarindebomen der Lange Laan en steeg, langzaam zich leuterende van haar tragische tint, in een vage hemel op." Zo begint Louis Couperus "De Stille Kracht", en wie dat taalgebruik niet meer zo helder voor ogen had moet bij herlezing even iets wegslikken. Veel moeite kost dat niet: Couperus hanteert zijn persoonlijke grammatica en vocabulaire zo onontkoombaar, dat de lezer zich na drie pagina's gewonnen geeft. Hij vertrekt geen spier meer als er voor de zoveelste keer een mysterie uit de tuin komt aandonzen en kan zich ongehinderd op de roman concentreren. Die is na vijftig jaar nog buitengewoon leesbaar: om het plot, om de niet makkelijk te vergeten hoofdpersonen, om de perfecte schets van de Nederlanders in Ons Indië aan het begin van deze eeuw.

Het verhaal: Van Oudijck, resident van de provincieplaats Laboewangi, wordt na een vete met de plaatselijke Indische regentenfamilie geconfronteerd met de "stille kracht"; de residentie

verandert in een spookhuis, de nuchtere, integere Hollandse resident in een uitgeblust ambteloos

burger.

Zowel Van Oudijck als zijn losbandige vrouw Leonie zijn figuren die bij Couperus vaker voorkomen: "lfij was de man van het heldere, logisch doordenkende, mannelijk eenvoudige plichtsbesef, de man van het heldere eenvoudige leven. Dat schuilen onder het eenvoudige leven al de krachten, die tezamen zijn de almachtige stille kracht, zou hij nooit weten". En Leonie: "Er was in deze vrouw iets sterks; iets machtigs van louter onverschilligheid : er was in haar iets onkwetsbaars. (... ) Zij zag er uit of zij niet kon lijden en het was of zij glimlachte en zo tevreden was, omdat er voor haar geen ziekte, geen leed, geen armoede, geen ellende bestond.

Een uitstraling van glanzend egoisme was om haar." Noch dat mannelijk eenvoudige plichtsbesef noch het glanzende egoïsme blijken opgewassen tegen de "stille kracht".

TAFELDANSEN

Wat verstaat Couperus onder die stille kracht? Hij onthoudt zich steeds van commentaar, draagt alleen feiten aan, de stille kracht manifesteert zich nu eens bij het tafeldansén van de Europeanen, lacherig begonnen spelletje tegen de tropenverveling met macabere resultaten, dan weer in de zwarte kunst van de inlanders. Die laatste is prachtig beschreven: de scene waarin Leonie van Oudijck in haar badkamer bespuwd wordt met " sirih " en tenslotte gillend en bezwadderd in het zwembad springt is Couperus op zijn best. (Het blijft ontzettend jammer dat Fons Rademakers, die in 1964 toestemming vroeg De Stille Kracht in Indonesië te verfilmen, door minister van buitenlandse zaken Soebandrio werd geweerd. De spuwscène roept om verfilming ). Ondanks zulke dramatische taferelen is de stille kracht een zwakke titelrol.

Zonder van een schrijver te willen vergen dat hij alles verklaart, vind ik dat Couperus hier te veel vertrouwt op het "mysterie van het Oosten"; voor hem behoeft het geen nadere toelichting dat zijn personages de stille kracht voelen als zij over de Javazee staren - terwijl het vanzelfsprekend is dat niemand iets dergelijks ervaart bij een blik op het IJsselmeer. Ik geloof daar niet zo in, en herinner mij Forster A Passage to India, waar het mysterie weliswaar evenmin wordt verklaard, maar tenminste algemeen, menselijk is, niet typisch iets voor zwartjes. Couperus is in zijn behandeling van de mystiek gemakzuchtiger dan Forster.

Dit mystieke mankement hindert nauwelijks, omdat de roman zich even goed laat lezen als profetie van de ondergang van Nederlands Indië. De ambivalentie van koloniaal Nederland heb ik nergens beter beschreven gezien. Couperus'instrument bij zulke beschrijvingen is vooral Eva Eldersma, de vrouw van Van Oudijck's secretaris- Eva is kunstzinnig, min of meer intellectueel, neemt de sociale plichten van de indolente Leonie met enthousiasme over. Zij maakt het beste van Indië en voelt zich falen als in de regentijd haar piano ontstemd raakt: "En geheel de esthetische filosofie, waarmede zij eerst zich geleerd had van Indië te houden, te waarderen het goede in Indië, te zoeken ook in Indië naar de mooie lijn, uiterlijk, en naar het inwendige mooi, van ziel, was niet meer bestand tegen het stromen van het water, tegen het uiteen kraken van haar meubels, tegen het vlakkig worden van haar japonnen en handschoenen, tegen al de vocht, schimmel en roest, die haar bedierf haar exquise omgeving, die zij om zich heen als troost had ontworpen, geschapen, als troost voor Indië. " Alleen op Eva's partijtjes werden de heren verwacht in rok, alleen haar man kleedde zich voor het eten - nu duldt zij hem in nachtbroek en kabaai: "Zij vond dat iets vreesfijks, iets onzegbaar verschrikkelijks, het schokte geheel haar beschaving, maar heus, hij was te moe, en het was te drukkend zwoel om anders van hem te vergen. En zij - pas twee jaren in Indië - begreep meer en meer het zich laten gaan - in kleding, in lichaam, in ziel - nu zij iedere dag iets meer verloor van haar Hollandse frisse bloed en haar Westerse energie, nu zij wel toegaf, dat men in Indië werkte als misschien in geen ander land, maar, alleen werkte, met dat doel voor ogen: positie - geld - ontslag - pensioen - en terug, terug naar Europa."

Eva is ook de enige figuur die gebukt gaat onder de kleinzieligheid van haar omgeving en onder haar eigen kleine ziel. Zij zoekt wat tegenwicht in een lome belangstelling voor sociale rechtvaardigheid - als pendant van Constance (in de Kleine Zielen zelf) met haar verliefdheid op de radicaal Brauws en van Comélie (in Langs lijnen van geleidelijkheid ) met haar feministische brochure.

 

Couperus had, ondanks zijn gevarieerde onderwerpen en locaties - de Haagse romans, de Indische, die uit de Oudheid en die van de Riviera - een beperkt aantal karakters tot zijn beschikking, die hij dan ook geheel beheerste.

AIs zijn personen enige belangstelling aan de dag leggen voor de buitenwereld, zijn dat altijd vrouwen (als Eva) - zijn andere vrouwtype is daarentegen hersenloos, zinnelijk en gehuld in pastelkleurig negligee; zijn mannen zijn of sympathiek maar fantasieloos (Van Oudijck) of wellustelingen die dan ook altijd als dieren worden voorgesteld. Bijna cliché's, net niet helemaal: Dankzij Couperus'talent voor psychologisch detail en kleine waarneming totaal geloofwaardig.

DIALOOG

Zoals in de koloniale verhalen van Somerset Maugham het "going native", is in De Stille Kracht het "verindischen " een voortdurende vrees. De kleding aan het diner, de tongval van de kleuters is voor alle Nederlanders in Laboewangi een grote zorg. Couperus geeft een scala van alle varianten van "verindischen " dat een zeer authentieke indruk maakt, zijn taalgebruik wordt dan plotseling realistisch - terwijl de oer-Hollanders romantisch gonzende volzinnen produceren, stoten "nonna's" en "indo's" zinnetjes uit waarin (zonder fonetische krachttoeren) het accent doorklinkt. Couperus had kennelijk een uitstekend oor voor dialoog, maar hij vond het niet de

moeite waard dat te gebruiken bij "normale" Europese conversatie. Hoe boeiend de persoonlijke perikelen van de familie Van Oudijck ook mogen zijn, die algemeen Nederlands-Indische fragmenten maken De Stille Kracht voor mij het aantrekkelijkst. Daarbij blijft het de vraag waar ik die indruk van authenticiteit vandaan haal - hoe kan iemand die nooit een voet in Indonesië, laat staan in Nederlands Indië gezet heeft, zo'n dat klopt gevoel hebben? Heeft de waarheid een eigen overtuigingskracht (wat - een mooie, ethische gedachte is), of kan Couperus zo, schrijven dat zelfs een misschien geheel verdraaide Couperus-werkelijkheid de indruk van waarheid vestigt? Veel ooggetuigen van de Stille Kracht-samenleving zullen er niet meer zijn; en toen Couperus in 1922 een lezing hield in Soerabaja, kreeg de "verwijfde Hagenaar" slaande ruzie met zijn gastheren, terwijl de pers hem belachelijk maakte. Misschien pleit die Indische weerzin voor De Stille Kracht.

 

1