| Aa | Beek of meertje (van Middeleeuws Duits woord 'aha' = water) |
| Aag | Friese vorm van oog, laag gelegen weiland |
| Aanplempen | Het vergroten van het landoppervlak door materiaal in het water de storten. |
| Aanwas | Aangeslibd materiaal tegen een bestaande dijk, kust of oeverland (sedimentatie). |
| Abrikozenmuur | Zie slangenmuur. |
| Abschnittsmotte | Kasteelheuveltje in Zuid - Limburg dat ontstaan is door de afgraving van een deel van een helling waardoor het heuveltje van de rest van de helling wordt afgesneden. |
| Achterdijk | Lage dijk aan achterzijde van een eerste ontginning (van 100 meter breed en 1.250 meter lang), die de de ontginning moest beschermen tegen het hoger gelegen veen erachter (waterstaatkundige functie). Ook achterkade of landscheiding genoemd. |
| Achterkade | Zie achterdijk. Kan echter ook een andere benaming zijn voor houkade, bijvoorbeeld de Ruigeweidse Achterkade in Driebruggen / Waarder in Zuid-Holland. |
| Afdakswoning | Met afdakswoning is een type arbeiderswoning bedoeld waarvan de daken aan de achterkant verder naar beneden lopen dan aan de voorkant. Deze woningen werden vanaf 1860 in Twenthe voor de toestroom aan textielarbeiders gebouwd in lange aaneengesloten rijen. Een grote woonkeuken met twee bedsteden, dat is alles. Aan de achterzijde bevindt zich nog een z.g. spoelhok. Het (droge) toilet staat buiten in een afzonderlijk schuurtje. De puntige zolder is een aaneengesloten opslagplaats zonder scheidingsmuren. De troosteloze arbeiderswijken worden vanaf 1908 geleidelijk vervangen door betere wooncomplexen. |
| Afkalving | Erosief proces (vooral door stromend water), waardoor een oever wordt ondermijnd, na verloop van tijd afbrokkelt en in de stroom terechtkomt. Dit proces komt vooral voor in de buitenbochten van rivieren (meanderende rivier) en langs kusten die blootstaan aan sterke golfwerking (erosiekust). Afkalving kan uiteindelijk leiden tot een dijkval. Begroeiing kan de snelheid van afkalving sterk afremmen, doordat wortels de grond vasthouden. |
| Afpalingsrecht | Recht op stilte in een 'afgepaald' gebied rondom een eendenkooi. Dit omdat stilte een absolute noodzaak is om wilde eenden te lokken. Het is een oeroud recht, dat nog stamt uit de tijd van Karel V (circa 1550). |
| Afvenen | Zie droge vervening. |
| Afwatering | Het afvoeren van overtollig water door een stelsel van watergangen. |
| Aireywoning | In de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog werd vanwege de schaarste aan materiële en financiële middelen geëxperimenteerd met nieuwe, industriële bouwwijzen. Het Airey-systeem bestond uit een skelet van beton en staal met buiten- en binnenbekleding van beton- en houtvezelplaat. Ramen en dakspanten van de Airey-woningen zijn van staal, de kap is met hout beschoten met bitumen afdekking. |
| Akkerkamp | Akkerland |
| Akkermaalshout | Houtsoort van hoge kwaliteit die vroeger veel gebruikt werd door leerlooiers omdat het looizuur bevat. Akkermaalshout werd om de 7 tot 12 jaar gekapt. Het hout werd eerst geklopt waardoor het makkelijker losliet en vervolgens door de eekschillers geschild. De afgeschilde bast werd fijngemalen en gebruikt voor de looivaten. |
| Allee | Zie laan. |
| Ambacht | Rechtsdistrict; West-Friesland is b.v. onderverdeeld in vier ambachten, die op hun beurt weer zijn onderverdeeld in koggen |
| Ang | Bouwland, es |
| Anger | Dorpsweide |
| Anti-tankgracht | Diepe gegraven met water gevulde gracht met steile oevers om tanks tegen te houden, o.a. ten zuidoosten van IJmuiden en in de Grebbelinie. De antitank hindernis bij IJmuiden was op meerdere plaatsen onderbroken om het verkeer in en uit de Festung IJmuiden te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. Wordt ook wel tankval of anti-tankkanaal genoemd. Zie ook andere door de Duitsers gebouwde versperringen. |
| Anti-tankmuur | Onderdeel van de door de nazi’s aangelegde Atlantikwall langs de Nederlandse kust. Op plaatsen waar geen tankval of anti-tankgracht gegraven kon worden, werd een twee meter hoge tankmuur van beton en ijzer gebouwd. In Noord-Holland is een aantal anti-tankmuren van het type Landfront (taps toelopend profiel met overhangende rand) overgebleven waarvan het gedeelte bij Midden Herenduin ten zuiden van IJmuiden het mooiste en langste is. Zie ook andere door de Duitsers gebouwde versperringen. |
| Arsenaal | Magazijn voor oorlogsbehoeften, veelal met bijbehorende werkplaats, ook wel armamentarium, bushuis, tuighuis of ('s) lands huis genoemd. |
| Artesische bron | Bron waarvan het water boven de grondwaterspiegel uitstijgt. |
| Atlantikwall | Verdedigingslinie langs de Noorse, Deense, Duitse, Nederlandse, Belgische en Franse westkust, gebouwd door de nazi’s tussen 1941 en 1945. Op enkele plaatsen zijn hier nog overblijfselen van terug te vinden, zoals bij Castricum, dat vanwege het vlakke achterland werd aangewezen als Stützpunktgruppe. In de duinen bij Castricum werden 800 bunkers gebouwd en achter de duinen werd een tankval gegraven, een 8 meter brede door tanks niet te nemen v-vormige watergang. Op andere plaatsen werd een tankmuur gebouwd. |
| [begin pagina] | |
| Baak (1) | Heuvelrug, hoogte. |
| Baak (2) | Wit bord met rode rand op gele paal met markeringsinformatie langs waterwegen. |
| Baggerbeugel | Werktuig ten behoeve van de natte veenontginning (sinds 1530), zie slagturven |
| Baggeren | Zie slagturven |
| Bakhuisje | Bijgebouwtje bij Zuid-Limburgse boerderij. Wegens brandgevaar werd het brood niet in de boerderij zelf gebakken, maar in een apart huisje. |
| Bakwetering | Brede afwateringssloot op korte afstand achter de rivierdijk |
| Balg | Geul (Waddenzee) |
| Balgstuw | Opblaasbare stormvloedkering; de enige ter wereld ligt bij Ramspol tussen het Ketelmeer en het Zwartewater in Overijssel. In drie opblaasbare balgen van rubberdoek met een totale lengte van 180 meter kan bij hoogwater 10 miljoen liter water en een zelfde hoeveelheid lucht gepompt worden. Deze waterkering biedt goede bescherming tegen hoogwater, zit de scheepvaart niet in de weg en is relatief goedkoop. De balgstuw moet Noordwest Overijssel bij noordwestenwind beschermen tegen het opstuwende IJsselmeerwater. In opgeblazen toestand kan de balg een waterstijging van vier meter keren. De bouw, begonnen in 1998 heeft 70 miljoen euro gekost. Door de bouw van de balgstuw hoeven de dijken in het achterland niet verhoogd te worden. Aangezien het hier gaat om voornamelijk kronkeldijken, kunnen natuurwaarden hier behouden blijven. Ook in Tsjechië lijkt interesse te zijn in een balgstuw (in een zijrivier van de Moldau). |
| Ban | Historisch bestuursgebied of rechtsgebied van een stad, onderdeel van een baljuwschap (b.v. Banne Buiksloot in Amsterdam-Noord); in delen van vooral Noord-Holland (Gooi, West-Friesland) zijn nog veel banpalen (die de grens van een ban aangeven) te vinden |
| Bandijk | Winterdijk, hoge dijk op grotere afstand van de rivier. De buitenberm ligt aan een uiterwaard. Zie verder bij dijken. |
| Banpaal | Stenen paal die het eind van een rechtsgebied (ban) aangaf. Criminelen die verbannen waren, mochten deze grens niet overschrijden. Bij de bangrens ontstonden vaak primitieve kroegjes en krottenwijkjes. De grens van het bangebied (banmijl) schoof op met het groeien van een stad tot 7.420 meter buiten de stadsgrens in 1544. Verbanning is in 1886 uit het wetboek van strafrecht geschrapt (wel bestaan tegenwoordig dijkverboden en ongewenstverklaringen). Rond Amsterdam staan momenteel nog drie banpalen: bij de ingang van park De Braak, ten zuiden van het gemaal op de Machineweg (paal uit 1625) en bij het dorp Sloten (paal uit 1794). De overige drie palen zijn verdwenen. |
| Barbacane | Buiten een middeleeuwse vesting- of kasteelpoort gelegen verdedigingswerk, afgeleid van het Arabische woord 'barbakkaneh' (bolwerk voor de poort), wordt ook wel bruggenschans genoemd. |
| Barchaan | Sikkelvormig duin waarvan de beide flanken zich sneller windafwaarts verplaatsen dan het centrum. |
| Basisveen | De veenafzetting die tijdens het Boreaal ontstond, toen de zeespiegel onze huidige kustlijn bereikte na afloop van de laatste ijstijd (Weichselien). Het basisveen werd gevormd in de zoute moerassen langs de kust en is diep in de bodem terug te vinden. Later is het bedekt door de afzettingen van Calais, waarbij het meeste veen is weggeslagen. Ook wel 'veen op grotere diepte' genoemd. |
| Bastei | Grote hoefijzervormige lage toren in de ommuring van een stad of kasteel, naar oorspronkelijk ontwerp van Albrecht Dürer. Een bastei was voorzien van overwelfde kanonkazematten voor grachtsbestrijking en van geschutopstellingen op het bovenvlak en kan gezien worden als de voorloper van het bastion. |
| Bastille | Middeleeuws vestingwerk, veelal als zelfstandige verdedigingsburcht, gelegen voor de stadspoort of stadsmuur. |
| Bastion | Vijfhoekige stenen of aarden uitbouw van een verdedigingswerk, oorspronkelijk naar Italiaans ontwerp. In ruimere zin is een bastion een vooruitgeschoven verdedigingswerk, tot in de 17e eeuw eenvoudigweg bolwerk genoemd, dat met de fortificatie in gedekte verbinding staat. In engere zin is het een bij de frontlinie aangesloten vooruitspringend gedeelte op de hoeken en bij de toegangen van een vesting. Een bastion wordt ook wel bolwerk of dwinger genoemd. De muur of wal tussen twee bastions heet courtine. Onder een stenen bastion bevinden zich vaak kazematten, kelders voor munitie en kanonnen. |
| Bedekte weg | Doorlopende, door een aardlichaam gedekte weg rond de buitengracht van een vesting, bestemd voor het verzamelen van troepen voor een uitval, of als verdedigende opstelling. Wordt ook wel gedekte weg genoemd. |
| Beekdal | Zie madeland |
| Beemd, beemt | Graslandpercelen in een beekdal, dus laaggelegen (vooral in Noord-Brabant). |
| Beer | Gemetselde waterkering in een vestinggracht, ter bemoeilijking van de overgang aan de bovenzijde in de vorm van een ezelsrug (spits toelopend) en voorzien van een monnik (opstaande hindernis van metselwerk of natuursteen). Een beer kan de volgende functies hebben:
- Scheiding respectievelijk regulering van de waterstand in een gracht, eventueel d.m.v. een sluis (sluisbeer). Er liggen twee beren in de binnengracht om Naarden-Vesting, om het zoete van het voormalige zoute water te scheiden.
- Als holle beer, voor het doorlaten van personeel.
- Idem, en bovendien voorzien van schietgaten, voor grachtsflankement.
|
| Beermuur | Gemetselde primaire waterkering rond een vestingstad, bijvoorbeeld in Wijk bij Duurstede. Wordt ook wel walmuur genoemd. Een afsluitbare opening in een beermuur wordt coupure genoemd. |
| Beets | Beek |
| Beklemrecht | Grondhuur waarbij de pachter of meier betaalt voor het erfelijk recht op het land; de bebouwing is zijn eigendom. Beklemd land mag niet gesplitst worden. Beklemrechten zijn vooral toegepast in de provincie Groningen, waardoor de boerderijen daar altijd groot zijn gebleven, zie ook stadsmeierrecht. De stad Groningen bezat veel landerijen in het oosten van de provincie: Westerwolde was in zijn geheel bezit van de stad dat daarnaast ook grote delen van de beide oldambten en de veenkoloniën bezat. |
| Belfort | Wachttoren met een stormklok, komt voornamelijk in Vlaanderen voor waar de steden in de Middeleeuwen het recht hadden een belfort te bouwen. Het enige Nederlandse belfort staat in de stad Sluis. De naam stamt af van het oud-Frans 'belefroi'. |
| Belt | Heuveltje |
| Beltmolen | Molen (korenmolen) op een (kunstmatig) heuveltje, waarbij de wal de stelling vervangt. |
| Belvédère, Nota | Beleidsnota over de relatie tussen cultuurhistorie en ruimtelijke inrichting. |
| Bemaling | Het op de gewenste hoogte houden van het waterpeil in een polder of boezem door middel van gemalen of molens. |
| Berceau | Aangelegd en met bomen overgroeid pad in een park of op een landgoed, bijvoorbeeld de 400 meter lange ‘Groene Bedstee’ van haagbeuken op het landgoed Mariëndaal bij Arnhem. |
| Berg | Zie donk. |
| Bergbezinkbasin | Ondergronds bassin in het rioolstelsel, dat tijdens hevige regenbuien het teveel aan rioolwater tijdelijk opvangt, zodat het niet in een (overstort)vijver terechtkomt. Is er weer genoeg ruimte in het riool dan kan het water daar alsnog heen. |
| Beuk | Ruimte tussen de gebintstijlen in de lengterichting van boerderij of schuur |
| Bezinkveld | Vakken langs de kust van Groningen en Friesland, begrensd door dammen van rijshout, ter bevordering van een snelle sedimentatie |
| Bies(t) | Zie dries |
| Biezen | Gebied met oevergewassen. |
| Bicht | Afgeperkt terrein |
| Binnendijks | Deel van het rivierengebied dat door winterdijken wordt beschermd tegen de invloed van de rivier. |
| Binnenduinen | Zie duinen |
| Binnenteen | Voet van de binnenglooiing van de dijk. In het rivierengebied staan hier vaak de boerderijen. |
| Blauwgoedkooi [artikel] | Eendenkooi waar zogeheten 'blauwgoed' wordt of werd gevangen. Onder 'blauwgoed' verstaat de kooiker de slobeend, zomertaling, wintertaling, pijlstaart, smient en krakeend. Ook de duikeenden (o.a. kuifeend, tafeleend) rekent hij tot het blauwgoed. |
| Blauwgrasland | Voedselarm, onbemest vochtig hooi- of weiland dat vroeger één keer per jaar in de zomer werd gehooid. De naam is afkomstig van de blauwachtig gekleurde grassen die er groeien. Soms staan deze weilanden 's winters onder water. De belangrijkste grassoort is het pijpenstrootje, maar ook borstelgras en blauwe zegge komen voor. |
| Bleek, -veld, -land | Grasveld in een dorp waarop linnengoed te bleken werd gelegd. Wordt ook wel dorpsbleek genoemd. |
| Blick | Drassige gronden |
| Blok | Stuk bouwland in een Zeeuwse polder; bij de inpoldering werd de polder verdeeld onder de geldschieters, die elk een blok land toebedeeld kregen. |
| Blokland | Aan alle zijden besloten land |
| Blokverkaveling | Oudste verkavelingstype, verdeling in relatief kleine, rechthoekige of onregelmatige percelen. Volgt de loop van natuurlijke elementen zoals een beek of een heuvel. Zie ook andere typen verkaveling |
| Bocagelandschap | Heggenlandschap, door heggen of muurtjes omgeven velden |
| Boet | Kleine schuur voor opslag van hooi en ander voer met een karakteristieke vorm. De schuur heeft een zadeldak dat een één zijde schuin afloopt (zuidwesten). De boet komt voor op Texel en in mindere mate in West-Friesland op land dat ver bij de boerderij vandaan ligt. Het is geen schapenschuur, maar schapen kunnen wel bij de boet schuilen. |
| Bocht | Wei- of hooiland |
| Bodemvocht | Het water in de bodem boven de grondwaterspiegel. |
| Bodemwater | Grondwater en bodemvocht. |
| Boekengrond | Lössachtige grond aan de Veluwezoom waar veel beuken groeien. |
| Boenstoep | Aan brede sloot gelegen stoep waar men o.a. melkbussen en emmers boent en water kan scheppen. |
| Boerderaar | Namaakboerderij. |
| Boerderette | Nieuwbouwwoning in de stijl van een oude boerderij. Het begrip is geïntroduceerd door Wim T. Schippers. |
| Boerenerf | De grond rondom de boerderij die niet gebruikt wordt voor de verbouw van producten of beweiding, maar voor de verwerking en de opslag van de producten. Naast de boerderij staan er op het erf schuren: Op een akkerbouwbedrijf staan hoge grote schuren voor de aardappelen en bieten. Vroeger was dat een speciale schuur die verzonken in de grond lag met een geïsoleerd dak tegen de vorst. Op een melkveehouderij staat een loopstal met een melkkuil. Deze schuren zijn minder hoog en open. Soms is er een grupstal of een potstal en dan is er een mestplaat. Hier is ook een kuil voor het voer of zoals vroeger de hooimijt en in Noord-Holland de typische hooischuur. Vaak is er een open kapschuur met al het materieel. Rondom het erf groeit een singelbeplanting. Hoge bomen met eronder struiken of alleen bodembedekkers. De laatste singel tref je aan bij veehouders die graag vanuit de boerderij het vee willen zien en dan onder de bomen door kunnen kijken. Het gesloten erf met struiken is te vinden bij de akkerbouwer die de wind en kou graag weghoudt van het erf. Op de zuidzijde van de boerderij is de bongerd of kleine boeren boomgaard met hoogstam fruit. Soms is die omgeven met een besdragende struikrand. Aan deze zijde ligt ook de moestuin van een haag voorzien met struiken. Aan de ander kant van de boerderij lag een weitje voor zieke koeien, een geit en wat schaapjes. Soms in gebruik als bleekveldje voor de was. Tegen en voor de boerderij staan vaak leilinden of andere knotbomen zoals wilg en knotiep. De bomen geven schaduw in de zomer en beschutting in de winter. In de boerderij ligt de kaasmakerij of de bewaarplaats voor eten achter de bomen. Het knothout werd voor allerhande zaken gebruikt. Achter op het erf staat de walnotenboom. De boom geeft schaduw op het erf want hij groeit breed uit. Verder was het een goede bliksemafleider als hoogste boom op het erf. Muggen houden niet van deze bomen. Nuttig dus en daar ging het om. Aan de wegzijde van de boerderij toonde de boer en vooral de boerin de rijkdom. De siertuin met bijzondere soorten mooie haagjes in renaissance stijl en bij de poort twee fraaie rode beuken of kastanjes. Vooraan een bloementuin waar het hele jaar wat bloeide. Wat minder rijke boeren hadden gras met een klein perkje. Oude erven zijn meestal omgeven met een zogenaamde hoogwatersloot met bloemrijke kanten. |
| Boermarke | Organisatie van dorpsboeren die zaken als het gebruik van de woeste gronden, de brink, het plaggensteken, het onderhoud aan houtwallen en het weiden van vee regelde. |
| Boerenorganisaties | Organisaties van boeren die regels voor het gebruik van de agrarische gronden opstelden en daarmee het ontstaan van het cultuurlandschap in belangrijke mate bepaalden. In Drenthe buurschappen, in Overijssel en Gelderland marken en in Brabant gemeinten genoemd. In Drenthe werd er streng op toegezien dat buitenstaanders geen eigen bedrijfje op het veld opzetten (o.a. door ontbreken van de adel), in Overijssel en Gelderland werden wel stukjes grond aan beginnende boeren verkocht en in Brabant en Limburg, waar de woeste gronden geen gemeenschappelijk bezit waren, werd kolonisten geen strobreed ion de weg gelegd. In de 19e eeuw kwam er door wetgeving (de markenwet van 1886 waardoor verkoop van markengrond mogelijk werd) en de invoering van kunstmest snel een einde aan het traditionele beheer van gemeenschappelijke gronden. |
| Boet | Houten topgevel in de luwte om zo wagens met hooi door het bovenluik te kunnen lossen. |
| Boezem | Het stelsel van wateren (meren, vaarten e.d.) die tot voorlopige berging van het polderwater dienen, alvorens het in het buitenwater geloosd kan worden. Het water in de boezem kan door sluizen met of zonder bemalingswerktuigen (gemaal) op het buitenwater worden geloosd. Soms gaat het eerst naar een andere, op gelijk niveau liggende boezem, of naar een hoger gelegen voorboezem. In droge tijd kan boezemwater gebruikt worden om extra water in te laten. |
| Boezemgebied | Al het polderland dat zijn water op een bepaalde boezem loost. |
| Boezemland | Niet ingepolderd land dat zonder bemaling (dus op natuurlijke wijze) zijn afwatering op een boezem heeft. |
| Bolster(turf) | Lichtbruin gekleurd hoogveenproduct uit grauwveen / witveen (de laag onder de bonkaarde). Is alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Zie droge vervening. |
| Bolwerk | In eerste instantie een veelal rond verdedigingswerk voor of buiten een stadsmuur of -omwalling. Later een vijfhoekige uitbouw van een vestingmuur of wal en in die betekenis Nederlands synoniem voor het Franse bastion. |
| Bonkaarde, bonkveen | Bovenste laag aarde in hoogveengebieden. Wordt eerst verwijderd en opgeslagen. Deze bonkaarde wordt later door de onderliggende zandgrond gemengd (de ontginning van dalgronden), waardoor een betere structuur ontstaat en de grond geschikt wordt (na bemesting) voor akkerbouw en met name voor de aardappelteelt. Zie droge vervening. |
| Boo | Stal in het veld waar de booheer (veehoeder) 's zomers met zijn vee verbleef (17e eeuw); er is er één in het Drentse Schoonebeek overgebleven, aldaar ook wel sennhütte genoemd. |
| Boomgaard | Zie laagstamboomgaard en hoogstamboomgaard. |
| Borg | Vesting. |
| Borg | Groningse edelmanswoning (vroeger bezit van een 'Ommelandse jonker'), in Friesland ook wel state of stins(e) geheten. |
| Boszone | Zie duinen |
| Bo(a)venkamer | Uitbouw tegen de voorgevel van een Twentse boerderij waar de oude boer met zijn vrouw gingen wonen na de overname van het bedrijf door de kinderen. Wordt ook wel endskamer genoemd.Huisje dat aan de boerderij werd gebouwd voor de ouders van de boer. |
| Bovenlanden | Veenruggen, gespaard tijdens de veenontginningen, vaak in of langs droogmakerijen. Op de bovenlanden liggen nu vaak dorpen en wegen. |
| Brandingsrug | Door branding opgeworpen zandrug. |
| Brandmuur | Stenen binnenmuur tussen woon- en bedrijfsgedeelte van een boerderij om bij brand het vuur te weren of de verspreiding te voorkomen / vertragen |
| Breek | Term voor wiel die voornamelijk rond Amsterdam voorkomt (Wilmkebreek, Kadoelerbreek, Buiksloterbreek en Schellingwouderbreek). |
| Breuktrede | Trede in het aardoppervlak die is ontstaan als gevolg van ondergrondse verticale bewegingen van twee naast elkaar gelegen schollen van de aardkorst. Komen voor in Noord-Brabant en Limburg. |
| Brik(grond) | Bodem waarin klei uit de toplaag (A-horizont) is uitgespoeld en daaronder weer is ingespoeld (B2t-horizont). |
| Brink | Open ruimte in een dorp of aan de rand daarvan waar de boerderijen omheen gegroepeerd staan, meestal beplant met bomen (eiken). De brink diende oorspronkelijk om het vee in te scharen (verzamelen) en was dus een gemeenschappelijke veebocht. Vaak lag er op de brink een poel (dobbe of kolk). Brink betekent letterlijk 'rand' en is later vaak het het dorpsplein geworden. Brinken komen voor op de zandgronden bij esdorpen of brinkdorpen. De brink was eigendom van de boermarke. Regionaal wordt de brink ook wel tie, heuvel, plein, plaatse of dries genoemd. |
| Brinkdorp | Dorpstype, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), ook esdorp genoemd |
| Broek, broekbos | Drassig laagland, moerasbos of kreupelhout. |
| Bron | Plaats waar water vanzelf uit de grond opwelt. |
| Bruine bosbodem | Zie holtpodzolbodem |
| Buitendijks | Gebied tussen de winterdijken, dus de rivier en de uiterwaarden. |
| Buitenduinen | Zie duinen. |
| Buiten(plaats) | Landgoed of groot huis buiten de bebouwde kom omgeven door tuinen of een park; ook als het huis verdwenen is wordt het buitenplaats genoemd. |
| Buitenwater | De zee en de rivieren waar het polderwater uiteindelijk (via de boezem) in geloosd wordt. |
| Bulk | Wei- of hooiland. |
| Bunker | Militair verdedigingswerk dat een zekere mate van bescherming biedt tegen beschietingen en bombardementen. Heeft meestal een enkelvoudige functie zoals geschutsopstelling, commandopost of schuilplaats. In de Nieuwe Hollandse Waterlinie werden in 1939 en 1940 de eerste bunkers gebouwd (piramides). De Duitsers bouwden bunkers zijn langs de kust in de vroegere Positie van IJmuiden en rond Amsterdam. Bij IJmuiden is nog een groot aantal aanwezig, rond Amsterdam een zeer klein aantal. Ook tijdens de Koude Oorlog zijn nog enkele bunkers gebouwd. In Nederland zijn de volgende typen bunkers toegepast:
- Feldmässige Ausbau = Duits Veldverdedigingswerk, licht bouwwerk uit Stahlbeton, maar soms ook van steen, zandzakken of andere voorhanden materialen. Dit type bunker kent een grote variëteit aan weerstandvermogen, materiaal en constructie.
- Kernwerk = Grote concentratie bunkers op een klein oppervlak, door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog op meerdere plaatsen langs de Nederlandse kust gebouwd.
- Piramide = Nederlands bunkertype, populaire benaming voor een zwaar uitgevoerde afwachtingsdekking van gewapend beton, zoals veel toegepast in de Nieuwe Hollandse Waterlinie in 1939-1940. Gebruikt als dekkingsruimte voor personeel in de nabijheid van een groepsnest (veldversterking) of andere gevechtsopstelling. De naam duidt op de vorm, die lijkt op een afgeknotte piramide. Piramides zijn nog te zien bij o.a. Muiderberg en Uitermeer.
- Regelbau = Standaardbouwwijze voor bunkers waaraan alle door de Duitsers (in Nederland) gebouwde bunkers aan moesten voldoen, behalve de vaak geïmproviseerde veldversterkingen (Feldmässige Ausbau). Een bunkers die niet aan de Regelbau voorschriften voldeed werd Sonderkonstruktion genoemd.
- Ständiger Ausbau = Duurzame versterking, bunker van gewapend beton en stalen profielen, tot vijf meter dik en bestand tegen een directe bom van 500 kg en direct geschutsvuur tot een kaliber van 22 cm. Door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog op meerdere plaatsen langs de Nederlandse kust gebouwd.
|
| Buren | Nederzetting. |
| Burg | Vesting, stad. |
| Bus | Met bomen of struiken begroeid terrein in het zuiden van Nederland |
| Buurschap | Drentse benaming van een marke. Boerenorganisatie die zich bezig hield met rechtspraak en het onderhoud van wegen, stelde, soms i.s.m. een andere buurschap een herder met schaapskudde (heerdgang) aan. |
| [begin pagina] | |
| Caisson | Betonnen kist van forse afmeting (sommige ter grootte van een flatgebouw). De kleinere zijn geheel dicht, de grote zijn voorzien van schuiven (doorlaatcaissons). Bij het dichten van de gaten in dijken na de stormramp 1953 heeft men van caissons gebruikt gemaakt (bij Ouwerkerk op Schouwen-Duiveland nog gedeeltelijk te zien). Bij sommige dammen in het Deltaplan heeft men doorlaatcaissons gebruikt. |
| Calamiteitenberging | Zie piekberging. |
| Calvarieberg | Heuvel waarop een kruis is opgercht waarheen katholieken in de vastentijd op bedevaart gaan. |
| Castellum | Door de Romeinen aangelegd militair kampement |
| Celtic field | Akker uit de ijzertijd (circa 800 voor Christus tot een paar eeuwen na Christus). Bij de ontginning werden op het land gevonden keien langs de rand opgestapeld. Zo ontstond een dambordachtig patroon van akkertjes van circa 35 bij 35 meter, met lage walletjes eromheen. De invoering van de keerploeg door de Romeinen, maakte een einde aan dit ontginningssysteem. Celtic fields zijn nog te zien op het Noordse Veld in het Drentse Zeijen en op het Wekeromse Zand. Ook wel raatakker genoemd. |
| Chate | Kleine boerderij |
| Cirkels van Jannink | Zie Jannink, Cirkels van. |
| Citadel | Zelfstandig verdedigbaar (stervormig) vestingwerk binnen of nabij een stad of vesting met als doel de bevolking onder bedwang te houden en weerstand te bieden na de val van het overige deel van de vesting. Het woord is afgeleid van het Italiaanse città ideale: de ideale stad, in de Renaissance uitgevonden door Italianen. Een bekend voorbeeld van een citadel is te vinden in 's-Hertogenbosch. Indien de heerser in de citadel een dwangheer (vreemde heerser) was, werd de citadel ook wel dwangburg of dwangkasteel genoemd. |
| Colluvium | Löss die onderaan een helling of tegen een graft is samengespoeld |
| Colonneweg | Eind 19e / begin 20e eeuw gangbare benaming voor een in een stellinggebied aangelegde militaire weg voor verplaatsing van troepen en aanvoer van materieel. |
| Compascuum | Dorpsweide, 'bedoeld om gemeenschappelijk geweid te worden' (Latijn) (b.v. Borger Compascuum) |
| Cope | Gekocht land, ontginningseenheid, ook wel koop (b.v. Boskoop) |
| Cope-ontginning | Door of in naam van landsheer ter ontginning uitgegeven gebied; wetering met weg en daarlangs ontginningen (copes) van 110x1300 meter (± 14ha.). Zie ook andere typen verkaveling |
| Coulissenlandschap | Landschap met stroken houtgewas die het daarachter gelegen open land aan het oog onttrekken. Vaak met gemodelleerd reliëf en verspreid gelegen boerderijen (hoevenzwerm). |
| Coupure | Bij hoogwater af te sluiten opening in een dijk of een beermuur. Gebruikt als doorgang voor weg of spoorlijn. |
| Courtine | Rechte wal tussen de bastions van een vesting |
| Cultuurbos | Door de mens aangeplant bos. Na eeuwenlange ontbossing en het ontstaan van woeste gronden, werd begin 19e eeuw begonnen met de herbebossing van Nederland. Aanvankelijk vanuit landgoedeigenaren op o.a. de Utrechtse Heuvelrug en later vanuit de textielbaronnen in Twenthe. De Markenwet van 1886 maakt de verkoop van markengrond mogelijk, wat herbebossing gemakkelijker maakte. In 1888 werd de Heidemij (het huidige Arcadis) en in 1899 Staatsbosbeheer opgericht, om de woeste gronden te herbebossen, maar zeker ook voor de houtproductie (naaldhout als stuthout voor de Limburgse en Duitse mijnen). Na 1900 werd ook loofhout aangeplant. Sinds de Boswet van 1922 moet bos in Nederland na kap opnieuw aanplant worden. Zie ook productiebos, oerbos en natuurlijk bos. |
| [begin pagina] | |
| Dalgrond | Schrale, kunstmatige bodem, gevormd na afgraving van hoogveen in de veenkoloniën, de tijdelijk aan de kant gezette bovenste laag van het veen (bonkaarde) werd door het dekzand gemengd. Zie droge vervening. |
| Daliegat | Met veen opgevuld gat met een doorsnede van 2 tot 5 meter in gebieden die nu bestaan uit klei- of zavelgronden. De daliegaten zijn ontstaan door het opgraven van zavel- en kleigronden die onder het veen lagen. Met deze kalkrijke zavel en klei werden de veengronden vruchtbaarder gemaakt. De gaten werden opgevuld met veen en liggen door inklinking inmiddels zo'n 20 tot 50 centimeter lager dan het omliggende land. Daliegaten (een West-Friese term) komen in heel West - Nederland voor. |
| Dalweg | Lijn in een rivier waar bij laag water het peillood de grootste diepte aangeeft, geeft de werkelijke grens aan indien de rivier een grensrivier is |
| Dam (1) | Toegang of inrit tot het bouwland maar ook de oprit naar de schuren van de boerderij. |
| Dam (2) | Waterkerende constructie, bedoeld om twee wateroppervlakken van elkaar te scheiden (dwars in het water opgeworpen). Een dijk daarentegen is bedoeld om land erachter te beschermen tegen overstromingen. |
| Damsluis | Sluis ter afdamming van een watergang, eventueel om land mee te inunderen. In sommige gevallen ligt een damsluis tussen twee polders die hierdoor een verschillend waterpeil kunnen hebben. De schotbalksluis is een type damsluis. Zie ook stuw en sluis. |
| Darinkdelven | Moernering |
| Dars | Ruimte in de boerderij waar het graan gedorst kan worden en wagens en werktuigen gestald worden, zie ook deel |
| Deel | Ruimte in de boerderij waar het graan gedorst kan worden en wagens en werktuigen gestald worden, zie ook dars |
| Debiet | Het aantal kubieke meters (m3) water dat in een rivier op een bepaald punt per seconde passeert. |
| Defensieve bedijking | Het aanleggen van dijken ter bescherming tegen overstromingen. Zie ook offensieve bedijking. |
| Dekzand | Fijne eolische (ontstaan tijdens grote zandstormen) zandafzetting uit de laatste ijstijd (Weichselien), die vrijwel geheel Nederland heeft bedekt. Dekzand is rijk aan kwarts en onvruchtbaar. |
| Dekzandkopjes | In de laatste ijstijd (Weichselien) door koude poolwinden ontstane (manshoge) zandbergjes in het veenlandschap. |
| Dekzandrug | Door toendrastormen in de laatste ijstijd (Weichselien) gevormde ruggen, meestal op d egrens van begroeide en onbegroeide gebieden. Zie ook stuwwal (b.v. Renderklippen bij Epe). |
| Del (1) | Laagte in het duinlandschap. |
| Del (2) | Ten behoeve van vluchtheuvels afgegraven laaggelegen, waterrijke terreinen in het rivierengebied. |
| Delft | Kanaal, gracht |
| Delta | Stroomafwaartse vertakking van een laagvlakterivier met tussen de rivierarmen en de kustlijn een driehoekig gebied bestaande uit door de rivier aangevoerd materiaal. Een estuarium daarentegen is door getijdenstromen ontstaan. |
| Deltapeil | Waterhoogte die één of twee meter hoger ligt dan de hoogste waterstand ooit langs de kust gemeten. Bij het vaststellen van dit deltapeil is ook rekening gehouden met de relatieve zeespiegelstijging en geldt als norm voor de zeeweringen. |
| Delve, dulve | Sloot (Goeree Overflakkee) |
| Delven | Ontginning van hoogveengebieden, wordt ook wel turfsteken of afvenen genoemd. Zie droge vervening. |
| Diefdijk | Dijk tussen Holland en Gelderland tussen Lek en Linge |
| Diep | Kanaal (veelal in Groningen) |
| Dijk | Waterkerende constructie, meestal opgeworpen aarde en al dan niet met stenen of asfalt bedekt. Bedoeld om land erachter te beschermen van overstroming. Een dam daarentegen is bedoeld om twee wateroppervlakken van elkaar te scheiden. Soorten dijken zijn:
- Dwarsdijk of zijkade, een dijk van rivier tot rivier om van boven komend overstromingswater te keren;
- Inlaagdijk, dijk die achter een bestaande dijk gelegd wordt om bij het optreden van een dijkval inundatie van de achterliggende polder te voorkomen;
- Ringdijk, een dijk rondom een bemalen stuk land;
- Schaardijk, een dijk waarvan de buitenberm direct aan de rivier ligt. Er is dus geen uiterwaard;
- Slaper(dijk) of (in Zeeland inlaagdijk), een binnendijk die geen dienst heeft zolang de wakerdijk het water keert;
- Tuimeldijk, een lage dijk die zo ontworpen is dat bij een hoge waterstand overstromingen toegelaten kunnen worden;
- Wak(k)erdijk, een dijk met een waterkerende functie, dit in tegenstelling tot de slaperdijk;
- Winterdijk of bandijk, een hoge dijk dijk op grotere afstand van de rivier; de buitenberm ligt aan een uiterwaard;
- Zeedijk, een dijk die direct grenst aan de zee en het achterliggende land tegen overstromingen door de zee moet beschermen;
- Zomerdijk, een lage dijk of kade direct aan weerszijden van de rivier.
|
| Dingspel | Naam van de zes rechtsgebieden waarin Drenthe vroeger was verdeeld. |
| Dijkcoupure | Zie coupure. |
| Dijkdorp | Langgerekt dorp (lintbebouwing), bepaald door het verloop van de dijk, vanaf de dijkwoning werd het land ontgonnen in lange smalle stroken (laagveenlandschap in West-Nederland, in het zeekleilandschap van Zuidwest-Nederland komen andere soorten dijkdorpen voor) |
| Dijkgraaf | Bestuursvoorzitter van een waterschap of hoogheemraadschap. De dijkgraaf valt onder de Kroon, in de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden onder de soevereine Provinciale Staten. In die tijd had de dijkgraaf de macht om belasting te heffen om de dijken en andere watershappen in de polder te onderhouden en kon hij ook mensen en families de polder uitzetten als deze niet deden wat hen gevraagd werd. |
| Dijkhuis | Huis waar het dijkbestuur bijeenkwam. |
| Dijknol, nol | Zichtbare plaats nabij een wiel waar het water doorheen spoot na een dijkdoorbraak of resterend deel van een door de zee weggeslagen dijk. Wordt ook wel nol genoemd. |
| Dijklast | Zakelijke belasting die door provincies of waterschappen kan worden gevorderd van landeigenaren als bijdrage in het onderhoud van dijken, die hun landerijen begrenzen. Ook wel polderlasten genoemd. |
| Dijkleger | Groep van bestuursleden van ingelanden van een waterschap, die door het bestuur jaarlijks wordt aangewezen om tijdens buitengewoon hoge waterstanden of bij ijsgang dienst te doen, ter bewaking van de bij het waterschap in beheer zijnde dijken. |
| Dijkpaaltje | Genummerde hectometerpaaltje langs een dijk. |
| Dijkring | Stelsel van waterkeringen, of hoge gronden, dat een dijkringgebied omsluit en beveiligt tegen overstromingen. |
| Dijkringgebied | Gebied dat door een stelsel van waterkeringen, of hoge gronden, beveiligd moet zijn tegen overstroming, in het bijzonder bij hoge stormvloed, bij hoog opperwater van één van de grote rivieren, bij hoogwater van het IJsselmeer of een combinatie daarvan. |
| Dijkschouw | Het inspecteren van de dijk door de dijkgraaf met heemraden waarbij men vroeger zo nodig ter plaatse 'recht' kon doen. Vond vroeger drie maal in het jaar plaats. |
| Dijkslag | Het gedeelte van een dijk, dat een dijkplichte heeft te onderhouden. |
| Dijkval | Het (plotseling) wegzakken van de dijk door een zettingsvloeiing in de oever (de ondergrond is met water doordrenkt). Zie ook afkalving. |
| Dingplaats | Verzamelplaats van de oude Germanen, door een priester ingewijd, vaak werd in het midden een heilig symbool geplaatst (de Hunnenschans bij Uddel is hier een voorbeeld van) |
| Dingspel | Oud rechtsgebied in Drenthe, de 6 dingspelen (Zuidenveld, Oostermoer, Noordenveld, Rolder-, Beiler- en Dieverder Dingspel) leverden ieder 4 afgevaardigden (etten) voor de Etstoel (hoogste gerechtshof) |
| Dobbe [artikel] | Zoetwatervijver in centrum (kruin) van een terp, ook wel fehting of feit genoemd. Komt ook voor als drinkplaats voor het vee op een brink. |
| Dobbe | Komvormige uitgestoven laagte in het terrein. Het belangrijkste type is de pingoruïne. |
| Doline | Trechtervormige verzakking, soms vele meters breed en diep, die ontstaat als kalk in het regenwater oplost. Dolines komen voor in het mergel (kalk) landschap van Zuid-Limburg, onder andere in het Vijlenerbos bij Epen, en worden ook wel orgelpijpen genoemd. Wanneer meerdere aangrenzende dolines in elkaar overgaan, spreekt men van een karstdal. Zie ook karstverschijnselen. |
| Donderbezem | Zie geveltekens. |
| Donjon | Verdedigbare (woon)toren van een middeleeuws kasteel, naar Frans model |
| Donk | Rivierduin in het rivierengebied die (nog steeds) boven de omgeving uitsteekt. Is ontstaan tijdens het laatste gedeelte van de laatste ijstijd (Weichselien). Destijds had Nederland een poolklimaat en was er nauwelijks vegetatie waardoor de wind vrij spel had. Wordt ook wel berg of woerd genoemd. In de Alblasserwaard komen veel donken voor. De kerken van Hoornaar en Hoog-Blokland staan op een donk. In de muren van de kerk in Hoornaar vinden we ingemetselde ijzeren ringen. Als de dijken van de Alblasserwaard vroeger doorbraken, brachten boeren uit de omgeving hun koeien naar deze hooggelegen kerken en zette men de koeien vast aan deze ijzeren ringen. De zandheuvel waarop het gehucht De Donk in het midden van de Alblasserwaard is gebouwd, ligt ruim zes meter hoger dan het omringende vlakke polderland. |
| Doodijsgat | Glaciaal element ontstaan door het smelten van een groot blok ijs, b.v. ´t Solsche Gat op de Veluwe. Wordt ook wel kettlehole genoemd. |
| Doodweg | Verbindingsweg tussen een dorp of nederzetting zonder eigen kerkhof naar het dichtstbijzijnde kerkhof, ook wel lijkeweg of lijkelaantje genoemd. Bij het Hilversumse Westerheide lopen verschillende Doodwegen naar één kerkhof. |
| Dorpsbleek | Zie bleek. |
| Dorpsbrink | Zie brink. |
| Drachtplantentuin | Tuin bij bijenstallen waar verschillende planten staan die tezamen het hele bijenseizoen bloeien en honing opleveren. Zie ook knopentuin en overtuin. |
| Draineren | Ondergronds afvoeren van (overtollig) water naar sloten. |
| Drecht (1) | Oversteekplaats in een veenriviertje. |
| Drecht (2) | Vaart, kreek. |
| Dres | Noord-Hollandse benaming voor dries. |
| Dries (1) | Akkers die jarenlang als weiland werden gebruikt of braak bleven liggen. Soms gemeenschapsgrond die beurtelings als bouw- en als grasland werd gebruikt. In midden Nederland ook wel ook wel driest en in Noord-Holland dres genoemd. |
| Dries (2) | Open ruimte binnen de kom van een dorp of een gehucht in Limburg, oorspronkelijk bedoeld om het vee te verzamelen, ook wel bies(t) genoemd |
| Drieslagstelsel | Landbouwsysteem waarbij de akker elke drie jaar een jaar braak bleef liggen en werd deze gebruikt als weiland. Dit kwam de vruchtbaarheid ten goede. Met de introductie van de klaver, begin 18e eeuw, kwam een einde aan deze methode. Klaver voegt stikstof toe aan de bodem. |
| Driesnederzetting | Laatmiddeleeuwse nederzetting in Limburg, ontstaan rondom een dries of bies(t), zie aldaar |
| Driest | Midden-Nederlandse benaming voor dries. |
| Drijftil | Klein drijvend eilandje in een laagveenplas, zie ook trilveen. |
| Drift (1) | Uitwaaierende strook land waarlangs het vee naar de brink gedreven werd. Vaak heten ze Koeweg, Veeweg, Veestraat of Schaapssteeg. Om het vee van de akkergronden te weren waren de veedriften voorzien van hagen. Door intensieve beweiding komen op deze strook op sommige plaatsen kleinschalige zandverstuiving voor. Wordt ook wel veedrift genoemd; zie ook heerdgang. |
| Drift (2) | Waterloop. |
| Drijftil [artikel] | Fenomeen in het verlandingsproces (ontstaan van veen of land uit water), stukken 'schijnland' die op het water drijven en met plantenwortels aan de bodem vastzitten, zie ook kragge |
| Droge heide | Met struikheide begroeide heidevelden, door schaapskudden begraasd, in tegenstelling tot natte heide. Zie ook heide. |
| Droogdal | Een door samenspel van solifluctie en sneeuwsmeltwaterstromen tijdens een ijstijd gevormd dal. De bevroren bodem was ooit ondoorlatend, nu meestal niet meer waardoor het dal geen water meer zal bevatten. |
| Droogmakerij | Bemalen gebied (polder) dat van oorsprong een meer, een veenplas of ander groot open water was. Droogmakerijen zijn volledig naar menselijk inzicht ingericht. De in 1612 drooggemalen Beemster is het bekendste voorbeeld en staat op de UNESCO werelderfgoedlijst. Zie ook (laag)veenpolder en zeekleipolder. |
| Drumlin | Iers woord voor een in de (derde) ijstijd gevormde heuvel die in het Nederlands ook wel een keileembult wordt genoemd. Drumlins hebben meestal een ovale vorm waarvan de langste as de bewegingsrichting van het ijs aangaf. Wanneer er genoeg kracht achter het ijs zat, schoof het over de stuwwallen heen, waarbij de toppen van de stuwwal werden gestroomlijnd. Er bleven ovale heuvels over, die na het terugtrekken van het ijs een flink stuk boven hun omgeving uitstaken. Drumlins zijn te vinden op Texel, Wieringen, Urk en Schokland en in Gaasterland en het Land van Vollenhove. De mooiste drumlin is de Hooge Berg op Texel. Middenin het lage land ligt een puist van vijftien meter hoog. |
| Duiker | Waterdoorgang onder wegen of dijken. Wordt ook wel zinker genoemd. Zie ook grondduiker. |
| Duinen | Zanderige rug aan de kust, van de kust af onderverdeeld in:
- Zeereep begroeid met helm en biestarwegras (buitenste zeewering);
- Buitenduinen of Struweelzone, begroeid met duindoorn en grassen (onderdeel jonge duinen);
- Middenduinen of Struweelboszone, begroeid met kardinaalsmuts, berken, eiken en liguster (onderdeel jonge duinen);
- Binnenduinen of Boszone, begroeid met loof- en dennenbossen (onderdeel jonge duinen); en
- Oude duinen, die grotendeels afgegraven is (de huidige geestgronden).
Zie ook de diverse duintypen: dwarsduin, barchaan, lengteduin en paraboolduin. |
| Duinmeer | Meertje in de duinen op een ondoorlatende laag, of op een plaats waar de grondwaterspiegel lager ligt dan de duinvallei. Duinmeren zijn voedselarm en hebben nauwelijks vis. |
| Duinbeek | Beekje in de binnenduinrand, voortkomend uit een duinrel. De meeste duinbeken zijn verdwenen, maar op landgoed Beeckestein in Velsen is er één hersteld. |
| Duinpan, pan | Komvormige laagte tussen twee (parabool)duinen. |
| Duinrel | Beekje dat in de buurt van de binnenduinrand ontspringt en naar het achterliggende polderland wegstroomt. Door infiltratie van regenwater (in de duinen valt meer water dan er wordt verdampt of door de planten wordt gebruikt) bevindt zich onder de duinen een grote en diepe bel met zoet grondwater die het zoute grondwater, dat vanuit de zee in de ondergrond binnendringt, naar beneden wegdrukt. De rest van het overtollige water vloeit via deze duinrellen weg. Een duinrel is erg schoon en bevat heel weinig voedingsstoffen, doordat het zand van de duinen als een soort filter werkt. Er komen speciale planten en dieren in duinrellen voor, die zijn aangepast aan voedselarme omstandigheden. Door het afgraven van de oude duinen en de drinkwaterwinning zijn de meeste duinrellen verdwenen. In duinen waar geen drinkwater wordt gewonnen zoals in Voorne’s Duin of op Schiermonnikoog, bleven de duinrellen voor een groot deel in tact. Op verschillende plaatsen, zoals op Texel en in de Amsterdamse Waterleidingduinen heeft men weer duinrellen uitgegraven. Zie ook duinbeekje. |
| Duinvallei | Laagte tussen een oude zeereep en een nieuwe zeereep, oorspronkelijke strandvlakte (primair) of laagte door winderosie uitgeblazen tot het grondwaterniveau (secundair). |
| Duinvoet | Grens tussen zowel duin- en poldergebied als overgang van het droge strand in de duinenrij. |
| Dukdalf | Aaneengeklonken paalwerk in havens, genoemd naar de gehate hertog van Alva (Duc d'Albe, 1508-1582). Zoals de touwen om de dukdalf geworpen worden, zo zouden ze ook om de hals van Alva geworpen moeten worden. |
| Dulf | Sloot (Zeeland). |
| Dwangmolen | Molen waar de bewoners van een bepaalde plaats gedwongen werden hun graan te laten malen. |
| Dwarsdijk | Dijk van rivier tot rivier om van boven komend overstromingswater te keren. Wordt ook wel zijkade of zijd(e)wende genoemd. Zie verder ook bij dijken. |
| Dwarsduin | Relatief recht duin waarvan de kam loodrecht op de windrichting staat. |
| Dwinger | Friese en Groningse benaming voor een bastion. |
| [begin pagina] | |
| Ecologische hoofdstructuur (EHS) | Samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen (natuurgebieden en ecologische verbindingszones), zoals opgenomen in het Natuurbeleidsplan en Structuurschema Groene Ruimte. |
| Ecologische verbindingszones | Corridors met als doel de afzonderlijke kerngebieden binnen de EHS met elkaar te verbinden tot een samenhangend ecologisch netwerk. |
| Ee, eem | Water, beek |
| Eendenkooi [artikel] | Vanginrichting voor wilde eenden, met geboomte (zie kooibos) omzoomde vijver (kolk of kooiplas) met vier steeds smaller wordende slootjes (vangpijpen). Vroeger ving de kooiker hier eenden voor het vlees, tegenwoordig worden de inrichtingen alleen nog gebruikt om eenden te ringen. Om de rust in de kooi te garanderen, mag er binnen een bepaalde cirkel vanuit het midden van de kooi niet worden gejaagd. Een eendenkooi is dan ook vaak aan de palen waarop met bordjes dit afpalingsrecht is vastgelegd te herkennen. |
| Ees | Valge |
| Effluent | Gezuiverd afvalwater dat van de zuiveringsinrichting wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het vuile water dat de zuivering inkomt wordt influent genoemd. |
| Eikengeriefhout | Eikenbosje in de nabijheid van het boerenerf, waarvan het hout gebruikt werd bij het onderhoud van het huis, schuren en gereedschap. Zie ook geriefhout, koebos en strubben. |
| Eindmorene | Een opeenhoping van glaciaal puin in een rug voor de kop van een gletsjer. Zie ook morene. |
| Elzenbroek | Drassig elzenhout in beekdalen in het zandlandschap. |
| Elzenmeet | Complex van lage aarden walletjes beplant met elzen. |
| Elzensingel, elzenhaag | Rij met elzen langs slootkanten, ontstaan door spontaan ontkiemende elzenzaadjes. De vroegere boeren waren blij met de op hun perceelsranden kiemende boompjes en zaagden ze periodiek af voor brandhout en gebruikshout. Later werd het elzenhout ook gebruikt in ijzersmelterijen voor steenkool het hout verdrong. Sommige gebieden, zoals de Gelderse Vallei, het gebied rond Staphorst, Midden-Brabant en gebieden in Utrecht bestonden voor de ruilverkavelingen vrijwel uitsluitend uit smalle weideperceeltjes omgeven door elzensingels. |
| Endkamer | Huisje dat aan de boerderij werd gebouwd voor de ouders van de boer. In Twenthe ook wel bo(a)venkamer genoemd. |
| Eng, enk | Midden- en Oost-Nederlandse term voor es, bouwland, oorspronkelijk het geheel der bijeen liggende gronden van de markgenoten, vaak eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen |
| Engelse landschapsstijl | Stijl waarin een ideaal of een wijds landschap wordt nagebootst; kenmerkt zich door slingerende paden, waterpartijen en onverwachte vergezichten |
| Enkeerdgrond | Door de mens gevormde bodem van 50 cm of dikkere laag die een hoog percentage organisch materiaal bevat. Is langdurig bemest en wordt in verband gebracht met de potstal. |
| Erosie | Uit- of wegslijten van grond door stromend water (fluviatiele erosie) of de wind (eolische erosie). |
| Es | Bijeenliggende (bolle) akkers op de zandgronden van Noord-Nederland, vaak door houtwal beschermd, eeuwenlang opgehoogd met mest en plaggen uit de potstallen (waar de schapen 's nachts verbleven). Iedere boer was eigenaar van een paar stukjes grond op de es. Grote essen verschenen vooral in Drenthe en op de stuwwallen, elders bleven ook kleine individuele essen (eenmansessen of kampen) bestaan. In het Groningse Westerwolde heten deze kleinere essen tangen. In Midden- en Oost-Nederland wordt een es ook wel eng of enk genoemd. Typen es zijn:
- Blokvormige es, naast de huiskampen onregelmatig verkaveld;
- Enkelstrepige bouwlanden, grootschalig verkaveld, lange smalle percelen in dezelfde richting;
- Meerstrepige bouwlanden met meerdere perceelvormen, strepen kruisen elkaar;
- Gewannverkaveling met in stroken onderverdeelde blokken die elkaar kruisen;
|
| Esdorp | Dorpstype, op de zandgronden waarvan de kern van het dorp wordt gevormd door een dorpsplein (brink), omgeven door boerderijen en akkers (essen), ook bekend onder de naam brinkdorp |
| Esdorpenlandschap | In de Middeleeuwen ontstaan landschap met driedeling in grondgebruik: essen (akkers), gras- en hooilanden (o.a. madelanden) en heide (Noord-Nederland) |
| Esker | Langgerekte, soms kronkelende en zich vertakkende rug, die is ontstaan doordat onder het landijs stromend smeltwater materiaal aanvoerde en achterliet, zie ook pseudeo esker. |
| Essenzwerm | Verspreide akkers die net genoeg land hebben voor één of twee boerderijen. Komen veel voor in Oost-Nederland, zoals op de dekzandruggen langs de Dinkelvallei. |
| Estuarium | Trechtervormige riviermonding, . |
| Estuarium | Door getijdenstromen ontstane wijde, trechtervormige riviermonding. De binnendringende vloedstroom en de terugstromende ebstroom zetten geen sedimenten af. Een ander type riviermonding is de delta die is gevormd door materiaal dat door de rivier zelf aangevoerd is. |
| Eswal | Beboste aarden wal die een es afscheidde van de woeste gronden. Hield het wild buiten en het weidende vee binnen de es. Wordt ook wel vreding of wildgraaf genoemd. |
| Etang | Zie haf. |
| Etsel | Wei- of hooiland. |
| Eutrofiëring | Aanvoer van voedselrijk water als gevolg van mestoverschotten producerende landbouwgebieden en voedselrijke neerslag. Heidegebieden vergrassen hierdoor. |
| Etstoel | Tot 1791 hoogste gerechtshof in Drenthe, zie dingspel. |
| Exclosure | Uitgerasterd proefgebied waar grazers niet in kunnen. |
| [begin pagina] | |
| Faunapassage | Passage waar dieren een drukke weg kunnen oversteken, voorbeelden zijn dassentunnel, stobbenwal en ecoduct. |
| Fehting, feit | Zie dobbe. |
| Femelbos | Bos dat beheerd wordt met femelslag, een zeldzame beheermethode. Dit wil zeggen dat er steeds kleine stukken bos uitgekapt worden zodat niet, zoals bij complete kaalslag, het hele ecosysteem vernietigd wordt. |
| Fenne | Noord-Nederlandse naam voor venne, laaggelegen weiland |
| Festung IJmuiden | Door de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog aangelegde vesting rond IJmuiden ter verdediging van de Hoogovens en andere industrieën gevestigd in IJmuiden evenals de grote zeesluizen, de havens van IJmuiden en Amsterdam. Festung IJmuiden bestaat uit een zee- en land front en was geheel omringd met een anti-tankgracht, bestaande uit drakentand hindernissen, tankmuren, tankgrachten en steile duinen. De antitank hindernis was op meerdere plaatsen onderbroken om het verkeer in en uit de Festung te laten via afsluitbare doorgangen (Walzkörpersperre). Buiten de ring met antitank hindernis waren velen uitgestrekte mijnenvelden gelegen met antipersoneels- en antitankmijnen. |
| Flêche | Simpele versterking, of schans, opgebouwd uit aarden wallen, ook wel redoute genoemd |
| Follie | Romantisch gebouwtje zonder verdere functie in een landschapstuin, dat een bepaalde stemming moet oproepen of bijdraagt aan een schilderachtig effect. |
| Foort | Doorwaadbare plaats in een rivier, meestal voorde genoemd. Komt voor in plaatsnamen, zoals Amersfoort. |
| Fort | Langzaam opgestoven heuvel, waar zich steeds weer planten konden vestigen (stuifzandgebieden), zie ook wal |
| Franje-ontginning | Verlenging van Gewannen in buitenwaartse richting (Noord-Brabant) |
| Freatische grondwaterstand | Grondwaterspiegel. |
| Friese stal | Stalindeling waarbij koeien twee aan twee tussen houten schotten met de kop naar de buitengevel staan; de groep ligt aan de binnenkant, vergelijk Hollandse stal en Ligboxenstal |
| Fruitmuur | Op de zon en uit de wind gerichte muur waar fruit op een bepaalde manier tegenaangroeit. Zie slangenmuur. |
| [begin pagina] | |
| Gaast | Zandgrond (Fries, b.v. Gaasterland) |
| Gaffelwijk | Drietandwijksysteem, drie wijken komen bij elkaar voordat ze samen uitkomen in het hoofddiep, o.a. in de Peel |
| Galgenberg | Heuvel waarop de galgen stonden, soms ter afschrikking van nieuwkomers bij invalswegen, maar soms ook echt gebruikt. In Drenthe is nog een aantal galgenbergen te zien bij Sleen, Anloo en Balloo. |
| Gastel, gestel | Bos op zandgrond (b.v. Luyksgestel). |
| Gebint | Samenstel van twee verticale balken, de gebintstijlen, en één horizontale balk, de de gebintbalk; een gebintconstructie bestaat dus uit meerdere gebinten |
| Geest, gast | Zanderige hoogte (b.v. Oegstgeest). |
| Geestgronden | Afgegraven en geëgaliseerde oude duinen aan de binnenduinrand, kalkhoudend en geschikt voor de bollenteelt. |
| Gemeenlandshuis | Vergaderhuis van een waterschap of polderbestuur. |
| Gemet | Halve hectare (b.v. Tiengemeten). |
| Gemeinte | Zuid-Nederlandse term voor marke. Het land werd hier echter verdeeld onder alle ingezetenen, dus was er geen sprake van waardelen. Oorspronkelijk grondheerlijk bezit, ook wel vroonte genoemd. Zie ook boerenorganisaties. |
| Gérende verkaveling | Verdeling van een stuk grond in min of meer regelmatige stroken die naar achteren toe steeds smaller worden en soms samenkomen in één punt (b.v. polder de Ronde Hoep bij Ouderkerk a/d Amstel). Zie ook andere typen verkaveling. |
| Geriefhout, boerengeriefhout | Hout voor eigen gebruik van een boerderij uit boerengeriefbosjes en houtwallen: essenhout voor stelen van gereedschap, berkenhout voor bezems en wilgenhout voor in de kachel. Een sloot beschermde het geriefhoutbosje voor de vraatzucht van het vee. deze bosjes komen veel voor in het veenweidegebied van het Groene Hart en zijn soms van oorsprong pestbosjes. Zie ook koebos, eikengeriefhout en strubben. |
| Gestrekt dorp | Zie lintbebouwing |
| Getijdenrivier | Rivier waarin de invloed van de getijden, eb en vloed, merkbaar is |
| Geul | Smal, diep water, verbonden met zeegaten. Bij vloed stroomt water via de geulen het waddengebied binnen, bij eb stroomt het water weer terug. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen getijdengeulen en wadgeulen. De getijdengeulen zijn diep als gevolg van de uitschurende getijdenwerking. De wadgeulen zijn vertakkingen van de getijdengeulen. Ze zijn smaller en ondieper. Een wadgeul ligt steeds onder de laagwaterlijn en blijft dus bij eb nog onder water. De sterke stroomsnelheden in de geul zorgen voor een vrijwel volledig wegspoelen van klei. Alleen zand en ander grof materiaal, zoals geërodeerde schelpen en uit de kwelder afkomstige ijzerconcentraties, worden daarom als geulopvulling aangetroffen. In Zeeland ook wel priel genoemd. |
| Geveltekens | In Oost Nederland (met name Twenthe en de Achterhoek) komen veel oude Saksische geveltekens voor op boerderijen:
- Gekruiste paardenkoppen werden (vooral in Twenthe) toegepast ter afwering van onheil, maar hebben volgens sommigen ook een bouwkundige oorsprong. Deze tekens wordne ook wel 'Horsa en Hengest' genoemd [afbeelding]. Sinds het midden van de achttiende eeuw werden de gekruiste paardenkoppen steeds meer vervangen door de jongere protestantse en katholieke geveltekens.
- De donderbezem was aanvankelijk een bundeltje samengebonden riet waarmee het wolfseind van het dak werd dichtgemaakt en later een gesneden houten plank met een dubbele haak om brand, blikseminslag, tovenarij en onheil af te weren. Een deonderbezem is een houten imitatie van het plantje huislook, dat vroeger veel op (rieten) daken geplant werd om brand (na blikseminslag) te voorkomen. Vaak werd de donderbezem gecombineerd met christelijke symbolen als een hostie, heilig hart of levensboom [afbeelding].
- Katholieke geveltekens, vooral toegepast na de reformatie, toen veel Twentse boeren katholiek bleven. Katholieke motieven zijn: miskelk, heilig hart, hostie, kruis, spijkers van het kruis, eimotief (als symbool van opstanding en hoop), anker, duif (teken van de Heilige Geest), paradijsboom, maansikkel (als symbool voor Maria), zonnewiel en de zesster (Christussymbool en tevens onheilafwerend). In Twenthe komen ook Jaan & Greet, twee in boerenkleding gestoken personen voor (van St Johannis en St Margriet).
- Protestantse geveltekens zijn minder uitbundig, later ontstaan, en hebben minder religieuze betekenis. Protestantse symbolen zijn: lelie (Achterhoek, Twente), zonnewiel (Twente, Salland, Achterhoek), driespruit (3 eenheid, afgeleide van de donderbezem), levensboom en haan. Vaak werden bij protestanten ook nevenberoepen uitgebeeld in het gevelteken: jeneverglas (caféhouder) en schaar (kleermaker).
|
| Gewannverkaveling | In stroken onderverdeelde blokken, zie es en andere typen verkaveling |
| Glaciaal | Afzettingen gevormd door landijs in het pleistoceen: zwerfstenen, morene/gletsjerpuin en keileem |
| -go | Landstreek (Friesland en Groningen, b.v. Westergo), komt van gouw |
| Goedjaarsend | Aanbouw achter een woning. In de Zaanstreek werd als men het jaar zakelijk goed had afgesloten vaak een deel aan de woning bijgebouwd. |
| Gooi | Landstreek, komt van gouw. |
| Goor | Laaggelegen, moerassig land. |
| Goorn | Moestuin, gelegen tussen het dorp en de es. |
| Gors | Bij hoge vloed (springvloed) onderlopende begroeide gronden in het buitendijkse getijdengebied van Zuid-Holland. In Zeeland schor en in het Waddengebied kwelder genoemd. |
| Gouw (1) | Deel van een Frankische provincie, vaak onderverdeeld in kwartieren, in het algemeen ook landstreek; zie ook go en gooi |
| Gouw (2) | Wateren en later ook de dijken er omheen waarover men zich verplaatste (letterlijk 'ga-weg' |
| Graaf, graven | Sloot |
| Graanspieker | Zie spieker. |
| Grafheuvel | Monument voor doden uit de nieuwe steentijd en de bronstijd (vanaf ongeveer 3000 v. Chr.), ook wel tumulus genoemd. |
| Graft | Steilhelling die een leemhelling in het Limburgse heuvelland verdeelt in minder steile terrassen, ligt evenwijdig aan de hoogtelijnen. Om erosie tegen te gaan werden op de steilere bouwlanden in Limburg heggen geplant. Doordat er tegen de heggen materiaal aanspoelde (colluvium) en achter de heggen materiaal wegspoelde, onstonden graften of steilranden. Graften doen ook dienst als veekering, afscheiding en leverancier van geriefhout. |
| Graskamp | Weiland aan een beek, aan de rand van een es gelegen. Zie ook maat. |
| Grauwveen | Veenlaag onder de bonkaarde in hoogveengebieden. Hieruit wordt het zogenoemde bolsterturf gemaakt dat alleen geschikt is als aanmaakturf of turfstrooisel. Wordt ook wel witveen genoemd. Zie droge vervening. |
| Grensboom | Monumentale solitaire boom (vaak een linde) die een grens of een vroegere dijkdoorbraak markeert. Dergelijke bomen werden veelal halverwege de 18e eeuw geplant. Komen veel voor op Zuid - Beveland. |
| Grie | Oorspronkelijk naar zee toe open weiland (vaak gemeenschappelijk), worden bij hoog water overstroomd, wat voor bemesting zorgt (Waddeneilanden) |
| Griend | Laaggelegen (intergetijde-) gebied langs de rivieren dat veelvuldig onder loopt, is beplant met wilgenhout. Snijgriend wordt jaarlijks afgesneden, hakgriend eens per drie à vier jaar |
| Grift | Gegraven wetering |
| Grindkeet | Houten keet die dienst deed / doet als schaft- en slaapgelegenheid. |
| Grippe | Greppel behorende bij het bouwland, verbinding naar een sloot (Goeree Overflakkee) |
| Groengronden | Onbemeste graslanden in de beekdalen van het zandlandschap |
| Groenland | Wei- of hooiland |
| Groep, grup | Goot in een groepstal voor het opvangen van de koeienmest. Wordt dagelijks uitgemest. |
| Groepstal | Stal met stand (verhoogd deel waar de dieren op staan), groep en voerstand. Is hygiënischer dan een potstal. |
| Groes | Wei- of hooiland |
| Groeve [artikel] | Plaats waar ooit delfstoffen zijn gewonnen |
| Grondduiker | Buis om water onder de bedding van een ander, hoger gelegen water door te voeren. Wordt ook wel dompelaar genoemd. Zie ook duiker. |
| Grondwater | Water in de bovenste grondlagen, waarvan de hoogte beïnvloed wordt door de stand van het oppervlaktewater en de grondsoort. Zie ook bodemwater en bodemvocht. |
| Grondwaterspiegel | Bovenste vlak van het grondwater, scheidslijn tussen verzadigde en onverzadigde zone. Zie ook freatische grondwaterstand. |
| Grondwaterstand | Hoogte van de grondwaterspiegel ten opzicht van het maaiveld. |
| Grubbe (1) | Natuurlijke watergang in het Limburgse heuvelland die overtollige neerslag na een regenbui naar de beek leidt, is soms een holleweg. |
| Grubbe (2) | Met struikgewas begroeid onderste dalgedeelte (b.v. Grubbenvorst). |
| Grubbenbos | Hellingbos, meestal geïsoleerd gesitueerd tussen akkers op hellingen in smalle diepe droogdalen (grubben) of langs holle wegen (met name in Zuid - Limburg). |
| [begin pagina] | |
| Haaimeeten | Vlak begreppeld land omringd door een houtwal, hoagte of schurveling in het zuidwestelijke duinlandschap (Goeree Overflakkee); haaimeten werden 2 jaar gebruikt als bouwland, 5 jaar als weiland en om de 7 jaar werd het hout langs de greppels gekapt; zwakgolvende duinen in dit gebied heten |
| Haaks | Zandbank (b.v. Noorderhaaks) |
| Haakwal | Zie strandhaak |
| Haar | Hoge beboste zandgrond (rug), vaak temidden van lagere gronden (b.v. Haarlem). Zie ook -schot. |
| Haf | Gedeeltelijk door een strandwal, schoorwal, nehrung of strandhaak afgesloten kustgebied waar een rivier in uitmondt, ook wel etang genoemd; indien er geen rivier in uitkomt spreekt men van een lagune (zia aldaar) |
| Hakgriend | Zie griend |
| Hakhout | Hout (voornamelijk eikenhout) dat telkens bij de stam wordt afgehakt. In vroeger tijden hadden eekschillers behoefte aan eikenschors voor de bereiding van looizuur. |
| Hakhoutstoof | Stronken van bomen (voornamelijk eiken) waarvan in het verleden om de 10 à 15 jaar de stammetje werden gekapt. Na 1940 werd er nauwelijks meer hakhout verzameld en groeiden de stoven uit tot stammen, die inmiddels 60 jaar oud zijn. |
| Ham | Buitendijks land |
| Hank | Deel van een oude rivierloop dat nog water voert, kreek of doodlopend stuk rivier. Langs de Ijssel zijn nog hanken te zien in de Keizers- en Stobbenwaarden, Olster Waarden en Duurse Waarden. |
| Hardhout ooibos | Rivierbegeleidend, hoog gelegen en daardoor zelden overstroomd bos met boomsoorten als eik, iep en es (bomen met hard hout). Zie ook zachthout ooibos. |
| Havezate [artikel] | 'Bestuurdershuis, 'ridderhofstede in Oost-Nederland en Drenthe waar politieke rechten aan verbonden waren, te vergelijken met een stinsof een state in Friesland en een borg in Groningen |
| Heemraadschap | Oud-Hollandse benaming voor een waterschap. |
| Heemstede | Boerenhofstede |
| Heemtuin | Tuin waar planten (en dieren) bij elkaar zijn gebracht die van nature in een bepaald gebied (inheems) voorkomen. |
| Heerbaan | Kaarsrechte verbindingsweg tussen militaire steunpunten van de Romeinen |
| Heerd | Groningse boerderij, ook wel state geheten; in Friesland heten veel boerderijen plaats of plaets, in Noord-Holland komt de naam hofstede voor |
| Heerdgang | Dagelijkse gang van de herder met zijn kudde schapen via de (vee)drift naar de weidegronden op de zand- en lössgronden. Werd in Drenthe door de buurschap aangesteld. |
| He(e)rdgang | Buurschap. |
| Heerenweg | Andere naam voor een Koningsweg uit de Karolingische tijd (circa 700 - 900 na Christus). |
| Heerlijkheid | Adellijk goed. |
| Hees | Gemengd berken/beukenbos op droge grond. |
| Heg | Afscheiding van gevlochten levende struiken en bomen, in het verleden gebruikt om eigendom af beschermen of vee van akkers te scheiden. Door de komst van het prikkeldraad zijn veel heggen verdwenen. Langs de Maas in Limburg zijn in het zogenaamde Maasheggenlandschap veel heggen overgebleven. Heggen hebben een hoge landschappelijke waarde en zijn vindplaatsen van bijzondere planten. |
| Heide | Met heide begroeide zandgronden met dunne aardlaag. In Nederland is er anno 2003 nog ongeveer 40.000 hectare heide, in 19e eeuw is het 500.000 hectare geweest. Eind augustus en begin september bloeit de heide. Compleet paars bloeiende heidevelden zijn er niet meer. Deze hadden ook niet zo’n grote natuurwaarde. Ze ontstonden aan het begin van de 19e eeuw toen de boeren de heide niet meer zo intensief gebruikten. Daarvoor speelde de heide een belangrijke rol bij de bemesting van de bouwlanden. In de potstallen werden heideplaggen vermengd met mest en daarna opgebracht op de bouwlanden. De introductie van de kunstmest maakte de heidevelden echter overbodig. Tegenwoordig worden echter wel op verschillende plaatsen grazers ingezet om vergrassing van de heide tegen te gaan. Er zijn verschillende soorten heide:
- struikheide (calluna vulgaris), is in Nederland het meest voorkomend en groeit op droge gronden. Zie ook droge heide.
- dopheide (erica tetralix), groeit op een iets vochtiger bodem. Zie ook natte heide.
- kraaiheide (empetrum nigrum), is een heestertje dat voorkomt in Noord-Nederlandse zandverstuivingen, heidevelden en duinvalleien.
- lepeltjesheide (oxycossus macrocarpos), hoort thuis in Noord-Amerika maar groeit ook op Terschelling, de vruchten (cranberries) zijn eetbaar.
|
| Heideontginningslandschap | Nieuwe ontginningen van heidevelden na ± 1850, in tegenstelling tot het oudere 'oudhoevige type' |
| -heim, -hem | Woonplaats |
| Heideviehbauerntum | Agrarisch systeem vanaf het jaar 1000, meer heidegericht met een aanzienlijke uitbreiding van het akkerareaal, volgde het Waldviehbauerntum op |
| Heimatschutz Architektur | Traditionele architectuurstroming door de Duitse bezetter in de jaren 1940 – 1945 toegepast in Nederland. Bekendste voorbeeld is de bebouwing op de vliegbasis Deelen (door de Duitsers aangelegd als Fliegerhorst Deelen). Gebouwencomplexen zijn hier als brinkdorpjes in het bos aangelegd en betonnen bunkers en hangars zijn onherkenbaar vermomd als stijlvolle boerderijen langs bochtige weggetjes. |
| Heinsloot | Smalle sloot in een polder, vaak grens tussen landerijen. Zie ook poldersloot. |
| Hellingbos | Bos op steile hellingen, om erosie te voorkomen. In het Limburgse heuvelland zijn vrijwel alle bossen gekapt, behalve op de steilste hellingen. |
| Hennepakker | Kleine perceeltjes waarop in de 17e en 18e eeuw hennep is geteeld voor de fabricage van touw en zeildoek voor de scheepvaart, o.a. in de Alblkasserwaard |
| Hessenweg | In de Middeleeuwen ontstane handelswegen in Oost-Nederland, oorspronkelijk gevolgd door Duitse kooplieden (uit Hessen) die met hun huifkarren op weg waren naar Utrecht. Omdat de Duitse karren veel breder waren dan de Hollandse, waren de Hessenwegen veel breder dan de overige wegen. Ook liepen ze vaak buiten de dorpen om, omdat men de landbouwgronden rond de dorpen niet wilde opofferen. Zie ook Romeinse weg en Napoleonsweg. |
| Heul | Overdekte waterloop |
| Heurne | Hoek (b.v. Broekheurne) |
| Hil | Erf rond een boerenwoning (Goeree Overflakkee) |
| Hoagte | Onbegroeide wal, met zand opgehoogde schurveling (houtwal) in het zuidwestelijk duinlandschap (Goeree Overflakkee), zie ook Uitmijnen en Haai(ge)meeten |
| Hoeve | Boerderij, ook wel tenure of mansus genoemd |
| Hoevenzwerm | Verspreide (boerderij)bebouwing, vaak in het coulissenlandschap van Oost-Nederland. |
| Hoevestrook | Latere uitbreiding van een kampontginning |
| Hof (1) | Limburgse boerderij |
| Hof (2) | Voorheen bisschoppelijke boerderij in Drenthe |
| Hofmeijer | Opzichter over een hofhouding, met name aan het Merovingische hof (400 - 750 na Chr.). Woonde in een klopjeswoning. |
| Hofstede | Monumentale pachtboerderij of boerderij met ingebouwde herenkamer voor de geldschieter (o.a. Noord-Holland), zie ook heerd en state (Groningen) en plaats (Friesland) |
| Hol, hool | Laag moerasland |
| Hollandse stal | Staltype waarin de koeien met de koppen naar het middenpad staan, vergelijk Friese stal en Ligboxenstal |
| Hollandveen | Veenafzettingen op de afzetting van Calais tijdens het Subboreaal (zo'n 3000 jaar geleden) toen de zeespiegelstijging verminderde en er verzoeting ging optreden in de lagune achter de inmidels ontstane strandwallen van Noord- en West-Nederland (op de afgestorven resten van moerasbossen met elzen, eiken en hazelaars). Hollandveen ligt aan de oppervlakte van de holocene afzettingen in Nederland. Op de strandwallen ontstonden tezelfdertijd de oude duinen. |
| Hollestelle | Drinkput binnen ringwal of kunstmatige heuvel (stelle) met drinkput (Zeeland, o.a. Bruinisser Stelberg op St. Philipsland |
| Holleweg | Oorspronkelijke afwateringsgeul vanaf een Limburgs plateau die op een gegeven moment als weg gebruikt ging worden, is bij regen niet altijd begaanbaar. Mooie voorbeelden zijn de Sibbergrubbe (Valkenburg aan de Geul) en de Duuster Steeg (Cadier). Holle wegen komen ook buiten Limburg, bijvoorbeeld in Twente, voor. Zie ook grubbe. |
| Holt | Bos van opgaand hout |
| Holtpodzolbodem | Tegenwoordige naam voor vroegere 'bruine bosbodem', rijker dan de veldpodzolbodem |
| Holz | Bos (Limburg) |
| Hoofddiep | Belangrijkste kanaal in het hoogveenlandschap, van waaruit de ontginning werd gestart |
| Hoofdland | Eerste kwaliteit land (Zuidwest-Nederland), in tegenstelling tot volgerland |
| Hoogheemraadschap | Oud-Hollandse benaming voor een groot waterschap belast met de waterstaatszorg over een uitgebreid gebied, oefende gezag uit op lagere waterschappen |
| Hoogstamboomgaard | Boomgaard waarin (vaak verschillende) fruitbomen groeien met hoge, lange stammen. Deze bomen hebben zich als normale boom kunnen ontwikkelen (takvrije stam en breed ontwikkelde kroon). Zijn vaak te vinden op landgoederen en bij boerderijen. Omdat het plukken van het fruit lastig is, zijn deze boomgaarden tegenwoordig vrijwel overal vervangen door laagstambomen. |
| Hoogveen | Veen dat groeit onder invloed van voedselarm regenwater, boven N.A.P. gelegen. De belangrijkste hoogveenvormer is veenmos (sphagnum) dat voor de aanvoer van voedselstoffen voldoende heeft aan regenwater. Hierdoor is het in staat onafhankelijk van het grondwater omhoog te groeien terwijl het aan de onderzijde afsterft. Zie ook moor. |
| Hoogveenrestant | .Restant van veen dat zich boven de grondwaterspiegel heeft gevormd. |
| Hoogwatersloot | Sloot in een poldergebied met een waterpeil op boezempeil, dat hoger ligt dan het polderpeil. Vaak vormt deze sloot een onderdeel van de boezem. Ook oude erven zijn meestal omgeven door een hoogwatersloot met bloemrijke kanten. |
| Hooiberg | Constructie met beweegbaar dak op vier palen voor de opslag van hooi, ook wel kapberg genoemd, zie ook kaakberg |
| Hooihuis | Zie kaakberg |
| Hooimijt | Opslageenheid waarbij het hooi (of rogge, zie roggemijt.) wordt opgetast rondom een paal en afgedekt met een beschermende strolaag zonder kap. |
| Hoorn, horn | Punt, hoek, in West-Friesland een hoek in een dijk |
| Hop | Inham, bocht (b.v. Hoornse Hop) |
| Horizontale berging | Uitbreiding van de oppervlakte aan water. De grootste berging wordt verkregen door het scheppen van meer ruimte voor oppervlaktewater te combineren met meer ruimte voor natuurlijke peilfluctuaties. Zie ook verticale berging, piekberging en seizoensberging. |
| Horsa en Hengest [afbeelding] | De gestileerde paardenkoppen op Twentse en Achterhoekse boerderijen worden ook wel 'Horsa en Hengest' genoemd. Paarden waren voor het boerenleven een bijzonder rijk bezit en zijn dan ook een geliefd symbool voor boeren in heel Midden-Europa. Hun aanwezigheid op de nok had een gunstige invloed: Zo weerden ze bliksemonslagen, de pest, brand en nachtmerries. Tot in de 18e eeuw markeerden boeren hun erf met een paardenschedel op een stok. Zie verder geveltekens. |
| Horst | Zandheuvel, gebied dat langs breuken in de aardkorst naar boven is geschoven en nu als gebergterug in het landschap te vinden is, oude lagen komen door verwering en erosie aan de oppervlakte, tegengestelde van slenk |
| Houkade | Zie achterkade. |
| Hout | Bos op droge grond |
| Houtkade | Met hakhout beplande kade. |
| Houtmuur | Afscheiding van met houtsnippers en aarde bedekte houtstammen. Dit is een betere methode dan het versnipperen en terugblazen van het gekapje hout, waardoor de bodem verstikt. Op de houtmuur groeien na verloop van tijd veel mossen, paddenstoelen en varens. |
| Houtsingel | Houtwal zonder wallichaam. Houtwallen en houtsingels komen met name voor op de hoger gelegen zandgronden. Houtsingels werden ook aangelegd om de zeekleipolders achter de duinen te beschermen tegen stuifzand. |
| Houtwal | Een houtwal bestaat uit een wallichaam met daarop bomen en struiken. Houtwallen worden gemaakt door een greppel te graven op de plaatsen waar een afscheiding gewenst is. De vrijkomende grond vormt een wallichaam direct naast de greppel. Het komt ook voor dat op korte afstand van elkaar twee evenwijdige greppels worden gegraven, met een wal er tussenin. Na het graafwerk wordt de wal beplant met bomen en struiken die in de omgeving voorkomen. Houtwallen en houtsingels komen met name voor op de hoger gelegen zandgronden. |
| -hoven | Boerderijen, hofstede |
| Huiskamp | Stuk land direct rond de boerderij, vaak onregelmatig van vorm, in Noord- en oost Nederland ook wel woerd, wurt of worth genoemd |
| Huisplaats | Met veenplaggen en klei opgeworpen huisterp in het veengebied van het Waterland; de locaties van sommige zijn nog te zien als uitstulpingen langs de slootkanten |
| Huisterp | Terp waar huis of boerderij opstaat, meerdere huisterpen groeiden vaak aan tot dorpsterp |
| Huizen | Nederzetting |
| Huftgriend | Zie koebos. |
| Hunebed | Collectieve grafkelder behorend bij de trechterbeker-cultuur (4000-3100 v. Chr.). Een hunebed is een portaalgraf: de toegang tot het graf wordt gevormd door een portaal van stenen dat zich vaak aan de zuidkant bevindt. Oorspronkelijk waren de hunebedden met een aarden heuvel bedekt. Er zijn er 53 in Drenthe (voornamelijk op de Hondsrug) en 2 in Groningen. Een langgraf, zoals dat in de omgeving van Emmen voorkomt, is een soort hunebed. |
| HUN-lijn | Lijn, globaal begrensd door Haarlem, Utrecht en Nijmegen ten zuiden waarvan in Nederland geen glaciale afzettingen worden aangetroffen |
| [begin pagina] | |
| Iemenschoer | Bijenschuur bij een Twentse boerderij. |
| Ies | Valge |
| IJskelder | Diepe kelder waar ijs in bewaard werd, op landgoederen vaak apart van het huis half onder de grond gelegen in een kunstmatige heuvel. 's Winters werd het ijs in de kelder opgeslagen, waarna het tot september koud genoeg was om er voedsel op te slaan. |
| IJstijd | Periode waarin het klimaat op aarde aanzienlijk kouder was dan tegenwoordig en waarin grote delen van de continenten, in ieder geval op het noordelijk halfrond, met landijs en gletsjers waren bedekt. Wordt ook wel glaciaal genoemd; een warmere periode tussen twee ijstijden een interglaciaal. De laatste vier ijstijden zijn:
- Günz- of Cromer-ijstijd: 600.000 - 540.000 jaar geleden;
- Günz-Mindel-interglaciaal: 540.000 - 480.000 jaar geleden;
- Mindel- of Elster-ijstijd: 480.000 - 370.000 jaar geleden;
- Mindel-Riss-interglaciaal: 370.000 - 240.000 jaar geleden;
- Riss- of Saale-ijstijd (Saalien): 240.000 - 150.000 jaar geleden;
- In het Amersfoorter stadium kwam het ijs tot de lijn Haarlem - Utrecht - Nijmegen (HUN-lijn). Langs deze lijn heeft het ijs diverse stuwwallen gevormd (op de Veluwe, de Utrechtse Heuvelrug en bij Nijmegen).
- In het Drenthe stadium kwam het ijs tot de lijn Texel - Coevorden. Langs deze lijn zijn grondmorenen (gestuwde keileem en zwerfkeien) terug te vinden.
- Riss-Würm-interglaciaal: 150.000 - 70.000 jaar geleden;
- Würm- of Weichsel-ijstijd (Weichselien): 70.000 - 10.000 jaar geleden;
- Het ijs kwam tot Denemarken; Nederland was een poolwoestijn met permafrost. De wind had vrij spel en er werd op grote schaal dekzand afgezet. Ook erosiedalen, puinwaaiers, donken en pingo’s ontstonden in deze periode.
- Holoceen (interglaciaal) 10.000 jaar geleden - nu.
|
| Indijking | Ingedijkt land. |
| Infiltratie | Neerwaartse verticale grondwaterstroom, bijvoorbeeld regenwater dat in de bodem dringt. Komt overeen met inzijging. |
| Influent | Afvalwater dat voor behandeling op een zuiveringsinrichting wordt aangevoerd. Na zuivering wordt het water effluent genoemd. |
| -ing, -ink | Achtervoegsel uit Twente en de Achterhoek dat duidt op een boerderij of erf. |
| Ingelanden | Eigenaar, erfpachter, vruchtgebruiker e.d. van grond, water en/of gebouwen binnen een waterschap. Worden ook wel de 'gemene ingelanden' genoemd. Ingelanden zijn verplicht jaarlijks waterschapsbelasting te betalen en vormen de het hoogste gezag in kleine waterschappen. De ingelanden van grote waterschappen kiezen een algemeen bestuur uit hun midden (hoofdingelanden). Vergelijk omgelanden. |
| Inklinking | Vorm van maaivelddaling, zie klink. |
| Inlaag | Vaak drassig gebied tussen een dijk en een daarachter gelegen tweede dijk, de inlaagdijk of slaper(dijk). De laatste werd veelal aangelegd als men in de dijk een zwakke plek vermoedde. Bij een eventuele dijkdoorbraak stroomde dan alleen de inlaag onder water. Inlagen komen veel voor op de Zeeuwse- en Zuidhollandse eilanden. Uit de inlaag werd de specie gebruikt om de tweede dijk te bouwen, waardoor de inlaag steeds drassiger werd. Omdat een inlaag belangrijk is voor de veiligheid van het achterliggende land, zijn ze altijd in tact gebleven en liggen ze er nog net zo bij als honderd jaar geleden. Door het brakke water groeien er allerlei zoutminnende planten. |
| Inlaagdijk | Dijk die achter een bestaande dijk gelegd wordt om bij het optreden van een dijkval inundatie van de achterliggende polder te voorkomen. Zeeuwse naam voor een slaperdijk. |
| Inlaatsluis | Sluis om water een gebied binnen te laten stromen, voorheen bijvoorbeeld om de Hollandse Waterlinie onder water te zetten (sluis bij IJmuiden), wordt ook inundatiesluis genoemd. Zie verder bij sluis. |
| Inschaarperiode | De tijd dat het vee buiten loopt (is ingeschaard). |
| Integraal Waterbeheer | Waterbeheer waarbij naast de afvoer en de kwaliteit van water ook gelet wordt op de naaste omgeving en de belangen voor stad en platteland. Dit beleid is vastgelegd in integrale waterbeheersplannen. |
| Interglaciaal | Warme periode tussen twee glacialen (koudere periodes) |
| Inundatie | Doorgaans defensieve onderwaterzetting van een terreingedeelte voor militaire doeleinden, met de bedoeling het terrein zowel onbegaanbaar als onbevaarbaar te maken. |
| Inundatiegebieden | Gebieden die gecontroleerd onder water gezet kunnen worden om elders overstromingen of dijkdoorbraken als gevolg van hoogwater te voorkomen. |
| Inundatiesluis | Sluis om water een gebied binnen te laten stromen, wordt ook inlaatsluis genoemd. Zie verder bij sluis |
| Inzijging | Een groot deel van het neerslagoverschot stroomt af via de ondergrond en komt elders weer naar boven. Waar het grondwater naar beneden stroomt, spreekt men van inzijging, waar het naar weer omhoog komt naar de oppervlakte van kwel. |
| [begin pagina] | |
| Jaagpad | Pad naast een trekvaart, in de 17e eeuw aangelegd in de lage delen van Nederland. |
| Jachtweg | Oude verbindingsweg tussen kasteel en buitenplaats, bijvoorbeeld de Italiaanseweg in Doorwerth. |
| Ja-knikker | Oliepompinstallatie, nog steeds te vinden in zuidoost Drenthe, hoewel de oliewinning daar wordt afgebouwd. |
| Jannink, Cirkels van | Evenals andere prominente Twentse textielfamilies, hadden de Janninks begin 20e eeuw een open oog voor nieuwe landbouwontwikkelingen. De kunstmest was nog nieuw en de mechanisatie nauwelijks op gang gekomen. Investeerders en overheden woekerden met de vraag hoe Nederlands woeste gronden het beste in cultuur te brengen. Als noviteit verschenen op de uitgestrekte heide bij Mander in 1928 twee reusachtige cirkels met een doorsnede van respectievelijk 340 en 380 meter. Landbouwkundigen hadden uitgedokterd dat ronde akkers een stuk gemakkelijker te bewerken zijn dan vierkante. Niet meer draaien en keren in de hoeken maar voortaan soepel in de rondte ploegen, zaaien en oogsten. Tot kort voor de jongste eeuwwisseling Bert Jannink het gebied overdroeg aan Landschap Overijssel, werden op de cirkels van Mander rogge, haver, aardappelen en uiteindelijk slechts maïs geteeld. De cirkels zijn nu in het kader van een kunst en natuurontwikkelingsproject omgevormd tot landschapskunst. Eén bevat een een spiraalvormig labyrint van één kilometer lang. De andere is voorzien van een met jeneverbessen begroeide centrale heuvel. |
| Jonge zeeboezemgronden | Klei afgezet in de vroegere zeearmen van Noord-Nederland |
| Jonge zeeklei | Zeeklei, afgezet ongeveer 1300 na Chr. in West Nederland, ook wel afzetting van Duinkerken genoemd |
| [begin pagina] | |
| Kaag, koog | Buitendijks land (b.v. Koog aan de Zaan) |
| Kaakberg | Hoge betimmerde hooiberg met vierkante plattegrond en een vast piramidedak, ook wel hooihuis genoemd en kenmerkend voor Amsterdam en omgeving, de buitenzijde is meestal zwart |
| Kade | Lagere waterkering in het veenweidegebied met een lichtere constructie dan een dijk. Een kade moet voorkomen dat laaggelegen polders door binnenwateren worden overstroomd. Ze worden soms ook gebruikt voor de schouw (inspectie van sloten). IIn veel gevallen zijn ze beplant met hakhout (houtkades). Een landscheidingskade vormt een scheiding tussen twee waterschappen en is niet beplant. |
| Kadijk | Grens tussen wel- en niet ontgonnen land |
| Kalkoven | Oven met toelopende toren waarin kalk wordt/werd gebrand. Komen nog voor in Limburg. |
| Kalkweide | Gebied waar vroeger een kalkfabriek gevestigd was. Door het voorkomen van veel kalk ik de bodem begroeid met kalkflora. |
| Kame, kame-terras | Scandinavische naam voor smeltwaterterras [spreek uit: keem]. |
| Kamp (1) | Veld. |
| Kamp (2) | Kleine individuele es, ook wel eenmanses genoemd. |
| Kampontginning | Nieuwe huiskampen die vanaf het eind van de Middeleeuwen aangelegd werden op iets minder vruchtbare grond aan de rand van het markegebied in het zandlandschap, sommige zijn later uitgebreid met hoevestroken |
| Kanaal | Gegraven waterweg ten behoeve van transport en personenvervoer. De Romeinen hebben de eerste twee kanalen gegraven, elk met een militair-strategische betekenis: de Corbulogracht (verbinding Oude Rijn - huidige Maasmond; de Vliet tussen Leiden en Rijswijk is hier nog een overblijfsel van) en de Drususgracht (verbinding Vecht - Oude Rijn bij Utrecht). Vanaf de 10e eeuw werden kanalen gegraven met een transportfunctie (b.v. het Damsterdiep in Groningen). De meeste kanalen dateren echter uit de 19e eeuw. |
| Kanaliseren | Het nemen van maatregelen gericht op het reguleren van het waterpeil in een rivier. Op regelmatige afstanden worden in het zomerbed van de rivier beweegbare stuwen en sluizen gebouwd. Met behulp van de stuwen kan het waterpeil in de rivier achter de stuw geregeld worden. Wanneer het gewenste waterpeil bereikt is, worden kleppen of deuren in de stuw geopend om het overtollige water naar het lager gelegen deel van de rivier te laten afvloeien. De bouw van sluizen is noodzakelijk voor de scheepvaart. |
| Kanontoren | Ronde toren voor de kanonnen bij een kasteel, bijvoorbeeld de toren op het terrein van het Groningse Ewsum bij Middelstum. |
| Karolingische tijd | Tijdperk in de vroege Middeleeuwen, van 750 - 900, tussen Merovingische tijd (500 - 750) en Ottoonse tijd (900 - 1000) in; [zie tijdbalk] |
| Karrensporen(complex) | Waar middeleeuwse wegen over woeste gronden voerden konden ze uitdijen tot vaak zeer brede sporenbundels. De wagenwielen sneden een spoor uit en als dit niet meer goed begaanbaar was, werd een nieuwe route in gebruik genomen. Op sommige plaatsen, bijvoorbeeld in Drenthe, is dit soms honderd meter brede patroon van bundels sporen in het landschap nog te zien. Het is niet uitgesloten dat de routes tot aan de prehistorie teruggaan. Vaak liggen namelijk groepen grafheuvels langs deze routes. Zie ook olifantspad. |
| Karrevelden | Drassige gebieden tussen hoofddijk en in- laagdijk |
| Karspel, kerspel | Kerkdorp, parochie |
| Karstverschijnselen | Alle geomorfologische verschijnselen die het gevolg zijn van de oplossing van kalksteen in water. In Nederland is het 'stelsel van Jansen Eggels' in het Noordelijk Gangenstelsel van de Sint Pietersberg bij Maastricht het belangrijkste karstverschijnsel. Zie ook doline. |
| Kasteelberg | Zie vliedberg, motte of kasteelberg. |
| Kavelsloot | Zie poldersloot. |
| Kazematten | In eerste instantie kelders voor munitie en kanonnen onder een bastion van een vesting. Later gebruikt voor bomvrij gebouw of bunker in een verdedigingslinie. |
| Keersluis | Enkele sluis of stuw die een hogere waterstand bij dokken of havens tegenhoudt. Zie verder bij sluis. |
| Keileem | Het landijs tijdens de Saale ijstijd stuwde niet alleen grond op tot stuwwallen, het vermaalde ook stenen onder zijn gewicht tot een dichte ondoorlatende laag van keien, leem, klei en zand. Het keileem komt in Twente en de Achterhoek aan de oppervlakte, wat gevolgen heeft voor de landbouw. Keileem houdt water tegen waardoor de grond daarboven drassig wordt. |
| Keileembult | Opgestuwde keileemafzettingen in een strook tussen Texel, Wieringen, Gaasterland (zie klif) en Urk. De Hoge Berg op Texel is het beste voorbeeld. Ook wel drumlins genoemd. |
| Kerkdorp | Zie kransakkerdorp. |
| Kerk(en)pad | Smalle veldweg (of pad) door de landerijen die losstaande boerderijen of buurtschappen met de kerk verbinden. Een stelsel van kerkenpaden is hersteld in het Achterhoekse Zieuwent. |
| Kerkringdorp [artikel] | Dorpstype van de Zuid-Hollandse- en Zeeuwse eilanden, oudste type (12e en 13e eeuw); de kerk staat er in het midden, op een ovaal of cirkelvormig omgracht kerkhof, daaromheen stond de bebouwing; b.v. Ridderkerk en Ouddorp; andere dorpstypes in dit gebied zijn de voorstraatdorpen en ringstraatdorpen |
| Kernflur | Zeer lang en smal akkerbed (zandgronden), zie ook langrepelakker. |
| Kettlehole | Andere benaming voor een doodijsgat. |
| Keur | Verordening van een waterschap waarin beheer, onderhoud en gebruik van waterschapswerken is vastgesteld. |
| Keuterij | Keuterboerderij. |
| Kiekenbelt | Uitkijkheuvel. In de omgeving van Deventer is 200 jaar geleden een aantal uitkijk en bewakingsheuvels aangelegd die deze naam dragen. |
| Kienhout | Overblijfselen van bomen in een hoogveengebied (o.a. in de Peel), overwoekerd door veenmos (plantje dat van onderen afsterft en van boven doorgroeit op de eigen afgestorven resten), ook wel veenstobben genoemd |
| Kil | Zie Kreek |
| Kilometerraaibord | Wit bord met zwart opschrift op zwart/gele paal langs waterwegen met kilometeraanduiding. Een raailijn is een denkbeeldige lijn dwars over het water van de rivier. |
| Klei | Verweringsmateriaal, minerale deeltjes door chemische verwering ontstaan, met een korrelgrootte kleiner dan 0,002 mm, heeft als eigenschappen o.a. een groot opnamevermogen van water en de adsorptie van voedingsstoffen voor planten. Al naar gelang de korrelgrootte worden zand- en klei als volgt ingedeeld:
- grind: > 2000 mu;
- grof zand: 200 – 2000 mu;
- fijn zand: 50 – 200 mu;
- leem: 16 – 50 mu;
- slib: < 16 mu;
- lutum (klei): < 2 mu.
|
| Kleiput | Kleine, buitendijkse, ondiepe put bij een steenfabriek, ook wel tichelgat genoemd. Soms werd hier ook wel klei gewonnen om de dijken mee te verstevigen. Nu vaak ontwikkeld tot natuurgebieden. |
| Klepduiker | Mechanisme voor de afvoer van o.a. overtollig regenwater, bestond rond 1200 uit een holle boom door een dijk. Aan de zijde van de afvoer zat een houten klep die door de druk van het uitgaande water open ging en sloot als er water naar binnen wilde. |
| Klif | In de ijstijd uit keileem gevormde natuurlijke zeewering in het Friese Gaasterland, zie ook keileembult. Op Texel en in Limburg is een klif een bodemverheffing. |
| Klingen | Nieuwe nog zandstuivende duinen, veelal met helm beplant (Goeree Overflakkee) |
| Klink | Vorm van maaivelddaling in voornamelijk veengebieden. Treedt op onder de laagste grondwaterstand en wordt veroorzaakt doordat de opwaartse druk wegvalt en de neerwaartse gelijk blijft. De ontwaterde laag klinkt de onderliggende veenlaag in. Ook wel inklinking genoemd. Zie ook krimp. |
| Klokkenstoel | Stellage van balken waarin een of meer klokken zijn opgehangen. |
| Klopjeswoning | Aanbouw aan boerderij waar ooit de hofmeijer woonde. |
| Kluft | Oprit van kruiswegen naar de dijk in een droogmakerij |
| Klucht | Schuin oplopende toegangsweg naar het hoogste punt van een dijk (Westfriesland). |
| Kluun (mot) | Drabbige massa die overbleef na het afvenen van hoogveengebieden. Werd uit de kluungaten geschept en over een zo vlak mogelijk oppervlakte uitgespreid (wat klunen wordt genoemd). Zie droge vervening. |
| Knopentuin | Vanaf de 16e eeuw in ontwikkeling gekomen tuin, met elkaar kruisende lijnen van verschillende planten en daarbinnen vakken van gekleurd materiaal (zand of steengruis). Zie ook drachtplantentuin en overtuin. |
| Knuppelpad, -weg | Veenpad of 'brug' van boomstammen in hoogveengebieden. Doordat veen hout goed conserveert, zijn er veel restanten gevonden. Bij Smilde is een nieuw knuppelpad aangelegd. Ook wel stokkenbrug of veenbrug genoemd. |
|