    
Boerderijen
In Nederland kan men vier hoofdtypen boerderijen onderscheiden:
de noordelijke groep (het Friese type) in Friesland, Groningen en Noord-Holland boven het IJ;
de middengroep (het Saksische type) in Overijssel, Drente, Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland;
de zuidelijke groep (het Frankische type) in Noord-Brabant en Limburg;
de zuidwestelijke groep (de Zeeuwse- en Vlaamse schuur) in Zeeland, Noordwest-Brabant en de Zuid-Hollandse eilanden.
Er zijn echter geen scherpe geografische grenzen te trekken tussen de gebieden waar de ene of de andere vorm voorkomt. Voorts zijn er natuurlijk mengtypen en regionale ontwikkelingen. De kaart dateert uit het midden van de 19e eeuw. In de sedertdien ingepolderde gebieden werden moderne boerderijen gebouwd die niet tot één groep behoren.
Voor meer en uitgebreidere informatie over de geografische herkomst van de boerderijtypes:
[klik hier] |
Het Nederlandse Landschap
Boerderijen in Nederland
 De Oldambtster boerderij komt voor in het Oost-Groningse Oldambt. Het is een stelpboerderij met een deftig woongedeelte voor de schuur, hoogstwaarschijnlijk rond 1825 'geimporteerd' uit Oost-Friesland (Duitsland). Het dak aan de voorzijde is een afgeplat dak, een zogenaamd 'wolfseind'. Deze boerderijen vormen in grote delen van Groningen een schril contrast met de armetierige arbeiderswoninkjes en keuterboerderijtjes. De boerenbedrijven in het Oldambt zijn erg groot (gebleven) omdat het 'beklemrecht' de splitsing van landerijen verbood. Het beklemrecht houdt in dat dat de pachter betaalt voor het erfelijke recht op het land. De bebouwing is eigendom van de boer. Monumentale boerderijen in het Oldambt worden ook wel 'villaboerderij' genoemd. |
 De Groninger of Hogelandse boerderij is ontstaan uit het kop-hals-romp type. Omdat op het Hogeland vrijwel geen veeteelt voorkomt (in de 18e eeuw is men na een veepestepidemie overgeschakeld op landbouw), moest het Friese kop-hals-romptype aangepast worden. In plaats van stallen is er een vergrote tasruimte. In veel gevallen komen ook boerderijen met drie aan elkaar gebouwde Friese schuren ('driekap') voor. |
 De kop-hals-romp boerderij komt voor in Friesland en West- en Noord-Groningen. Het woonhuis is de 'kop', in de 'hals' zijn in het algemeen de keuken en de melkkamer gelegen en de 'romp' bestaat uit de schuur. Dergelijke boerderijen kwamen reeds in de 16e eeuw voor, maar de definitieve vorm (toen het voorhuis hoger werd gebouwd dan de melkkelder) ontstond pas enkele eeuwen later. Dergelijke boerderijen worden zowel gebruikt voor veeteelt als voor akkerbouw. Veeteeltboerderijen zijn te herkennen aan het hogere voorhuis met de daaronder gelegen melkkelder en de kleine ruitjes in de schuur (stalraampjes). Akkerbouwboerderijen hebben geen melkkamer maar wel een zaadopslagplaats boven het voorhuis en geen kleine stalruitjes maar grotere ramen aan de achterzijde van de schuur (de dorsruimte). In het Noord-Friese akkerbouwgebied liggen veel kop-hals-romp boerderijen op terpen. Friese boerderijen hebben vaak een 'uilenbord' op het dak, een driehoekig houten bord tegen de daknaald aan [afbeelding]. De kop-hals-rompboerderij voldoet nog steeds voor het moderne agrarische bedrijf.
Een kop-hals-romp boerderij zonder 'hals' is de zogenaamde koprompboerderij en komt voor in het oosten van Friesland en in het Westerkwartier (Het aan de Friese Wouden grenzende zuidwestelijke deel van Groningen). Deze zandgebieden waren minder vruchtbaar dan de kleigebieden in Noord-Friesland en Groningen.
In het zuiden van Friesland ontwikkelde zich ongeveer een eeuw na de eerste kop-hals-romp boerderijen (in economisch minder gunstige tijden (na 1700)) het stelp- of stjelptype. Dit type is een rechthoekige variant van de Noord-Hollandse stolpboerderij. Deze langwerpige vorm ontstond voornamelijk omdat de vierkante stolp (uit Noord-Holland) te klein was voor de grotere boerderijen in Friesland. Het woongedeelte van de stelp werd bedekt met blauwe pannen, het schuurgedeelte werd met riet gedekt of kreeg goedkopere rode pannen als dakbedekking.
In Het Bildt komt een variant van de kop-hals-romp boerderij voor met een voorhuis dat haaks op de schuur staat (L-vorm).
Op de eilanden Terschelling en Ameland komen kleine boerderijen voor, dit omdat het boerenbedrijf daar altijd een nevenrol heeft gespeeld naast de visserij (walvisvaart) en de strandjutterij. De oorspronkelijke boerderijen op deze twee eilanden hadden een dwarsdeel en dus de behoefte aan een extra zijdeur. Omdat de gevel hier vrijwel altijd te laag voor was, werden er voor deze deuren uitbouwtjes (schúntsje) aangebracht. Toen het boerenbedrijf in de 19e eeuw wel hoofdberoep werd, werden er vrijwel alleen nog maar boerderijen van de op het vasteland aanwezige types gebouwd. |
 In Noord-Hollandse stolpboerderijen liggen woonruimte, stallen en deel rondom een centrale tas (bergruimte voor hooi en graan) onder een piramidevormig dak. Net als veel woonhuizen in de Zaanstreek en het Waterland werden de meeste stolpboerderijen van hout gebouwd. Dit vanwege de drassige bodem en omdat de Zaanstreek het centrum was van de houthandel met het Oostzeegebied. De met lange planken gepotdekselde zijwanden zijn niet dragend: de vier balken op de hoeken van de hooitas in het midden van de 'piramide' dragen het dak. Het woongedeelte heeft vaak een fraaie dakspiegel: het dakgedeelte waar de rieten dakbedekking plaats maakt voor dakpannen. De wanden en de gevel zijn vaak van Zaans groen geschilderd hout. In alle Noord-Hollandse stolpboerderijen werd een deel van de stal vroeger als 'zomerstal' gebruikt. Dat wil zeggen dat als de dieren 's zomers in de wei stonden, dat deel van de stal opgeknapt en als woonruimte in gebruik genomen werd. Omdat de stolp niet geschikt is voor een modern agrarisch bedrijf, worden veel stolp verbouwd tot woonboerderij. Veel van de nog ongeveer 1000 overgebleven stolpen staan op de monumentenlijst. Op Texel (en in West-Vlieland) komt een apart type stolpboerderij met een aangebouwd woongedeelte voor. Omdat Texel een schapeneiland is, staan er op het eiland veel typische schapenstallen, de zogenaamde 'schapenboeten' (die tegenwoordig overigens vooral als opslagruimte worden gebruikt). Op het voormalige eiland Wieringen komt het vooreindhuis voor, een variant van het boerderijtype uit Het Bildt (in Friesland). |
 Net als de West-Friese stolpboerderijen [afbeelding] hebben ook de stolpboerderijen in de Noord-Hollandse droogmakerijen (Schermer, Beemster, etcetera) vaak een monumentale gevel. Deze boerderijen (vooral de Beemster) zijn vaak uiterst rijk uitgevoerd en werden gefinancierd door de draagkrachtige stedelijk elite van de Hollandse steden. De financier had in zo'n boerderij vaak een opkamer tot zijn beschikking als buitenverblijf. |
 De los hoes is een Saksische boerderij van het langhuistype die in Twente en de Achterhoek voorkomt. Het is een boerderijtype met een steil pannendak en een gedeeltelijk houten gevel. De woning en de schuur vormden oorspronkelijk één grote ruimte (los = open). De hoge puntgevel wordt bekroond met een gevelteken met symbool (waarvan het teken van de twee paardenkoppen 'Horsa en Hengest' [afbeelding] het bekendste is). Aan het gevelteken is ook vaak de godsdienst van de toenmalige boer af te lezen: een kruis, miskelk of hostie voor de katholieke boeren en een haan of een zonnerad voor de protestanten [afbeelding]. De oorspronkelijke los hoes - van materialen uit de omgeving zonder spijkers gebouwd - is vrijwel verdwenen. Moderne, op de los hoes gebaseerde, Twentse boerderijen zijn vaak ook in vakwerkstijl uitgevoerd. Deze boerderijen hebben vaak een 'bovenkamer', een uitgebouwd woonvertrek dat vaak bestemd was voor de ouders op het moment dat de boerderij overgedaan werd aan de kinderen. |
 De plaggenhut kwam voor op de schrale zandgronden van Drente en was in zijn omgeving vaak alleen als verhoging in het landschap zichtbaar. Tegenwoordig zijn ze alleen nog in openluchtmusea te vinden. |
 Het hallehuis is een Saksisch boerderijtype dat voorkomt in Drente , Oost- en Midden-Nederland. Van oorsprong is het een langgestrekt, driebeukig gebouw met de deel in het midden en de stallen aan weerszijden. Op deze afbeelding staat de deel dwars op de rest de boerderij. Dit type komt ook voor in gebieden waar voornamelijk Frankische boerderijen voorkomen, namelijk in de Langstraat (Noord-Brabant) en in Noord-Limburg.
In de Stellingwerven (in het oosten van Friesland) komt een hallehuistype voor met een rietgedekt dak (er was immers genoeg riet voorhanden in de omgeving). In deze zanderige streek was de behoefte aan mest groter dan in de rest van Friesland, waardoor de potstal het er langer heeft volgehouden.
Het hallehuistype dat rond het Overijsselse Staphorst voorkomt, wordt door zijn langgerekte vorm wel eens - onterecht - ingedeeld bij het langgeveltype. |
 De Gooise boerderij is een hallehuis met lage zijgevels waarin grote deuropeningen zitten. Het Gooi was altijd een arm gebied met schrale grond. 's Winters kochten veel boeren extra vee om 's zomers meer grond te bemesten. Er was dus ook meer opslagruimte nodig voor hooi. In de deel van een Gooise boerderij (bij één van de grote deuren in het licht) stond vaak een weefgetouw dat voor extra inkomsten zorgde. |
 In het vruchtbare rivierengebied is uit het hallehuis het T-huis [afbeelding] ontstaan, waarbij het huis dwars op de schuur staat. Het woongedeelte (met dwarskap) is bij dit type uitgebreid met aan de ene kant een pronkkamer en aan de andere kant een opkamer. Deze afbeelding is van een Gelders T-huis met onderkelderde opkamer. Aan weerszijden van de deel zijn paarden- en koeienstallen, waarin de koeien met hun kop naar de deel staan. Karakteristiek bij dergelijke boerderijen in vooral de Tieler- en Bommelerwaard is de dakoverstek boven de deeldeuren. T-huizen van later datum zijn ook te vinden in Zuid-Holland, Utrecht, de Achterhoek en de IJsselstreek. |
 In delen van Zuid-Holland (vooral rond Gouda en Rotterdam) komen T-huis boerderijen voor waarvan het huis vaak stedelijk versierd is [afbeelding] met onder andere muurankers, gemetselde bogen boven de vensters, een stoep en trapgevels. |
 De langgevelboerderij is een Frankisch boerderijtyope dat voorkomt in de Noord-Brabantse Kempen. Woonruimten, stallen en deel staan hier dwars op de langsrichting van het gebouw. |
 De kleinere boerderijen in Limburg zijn meestal L-vormige hoeven [afbeelding], die vaak in vakwerkstijl zijn uitgevoerd. |
 De gesloten hoeve (ook wel binnenhoftype genoemd) komt in het zuiden van Limburg voor en is een doorontwikkelde L-vormige boerderij. eerst werd zo'n boerderij uitgebreid tot een U-vorm, later werd de U-vorm vaak gesloten naar het voorbeeld van de oudere kasteelhoeven. Woning, stallen en schuur zijn rondom een binnenplaats gegroepeerd. |
 De kasteelhoeve had naast een agrarische vroeger ook een verdedigingsfunctie. Kasteelhoeves liggen rondom het kasteel van de (voormalige) eigenaar. De vorm lijkt op een gesloten hoeve, maar de kasteelhoeve met torenachtige toegangspoort is geen doorontwikkeling van een eenvoudige boerderij. |
 In Zeeland komen diverse boerderijtypen voor. Meestal is er sprake van een Zeeuwse schuur [afbeelding]. Het woonhuis staat hierbij los van de schuur. In het vruchtbare West-Brabant komt de Vlaamse schuur voor (geen afbeelding). Net als de Friese schuur heeft de Zeeuwse schuur een dekbalkgebint. De Vlaamse schuur, die is gebaseerd op de oude Vlaamse kloosterschuur, heeft een ankerbalkgebint. Bij de Zeeuwse schuur zitten de deuren in de lange gevel, in de Vlaamse schuur in de korte gevel. |
Voor meer en uitgebreidere informatie over de geografische herkomst van de types: [klik hier] |
|